Johann Bernoulli Stichting voor de Wiskunde te Groningen

Floris de Boer 1846-1908

Floris de Boer (Assendelft 3 March 1846 - Groningen 21 December 1908) was a professor at the University of Groningen between 1884 and 1908.

Floris de Boer werd geboren in Assendelft op 3 maart 1846 in het gezin van Cornelis de Boer (Assendelft 4 augustus 1821 - 12 augustus 1908) en Cornelia Yff (Assendelft 5 september 1822 - Assendelft 15 maart 1895). Zijn vader Cornelis de Boer was een welgestelde boer; al in 1879 als getuige bij het huwelijk van Floris geeft hij aan: zonder beroep. Floris was voorbestemd om ook boer te worden, maar zijn begeerte naar wetenschappelijke kennis werd al spoedig opgemerkt, onder andere door de predikant Mosselmans, die later - in Groningen - voor een kerkelijke scheuring zou zorgen. De onderwijzer op de lagere school droeg de leerling Floris voor als kwekeling toen er hulp nodig was; voor goede leerlingen was dit een niet ongebruikelijke gang van zaken. Zodoende ontstond de wens om het examen van hulponderwijzer af te leggen en vervolgens om de akte lagere wiskunde te behalen en, inderdaad, in 1864 werd het examen voor hulponderwijzer met goed gevolg afgelegd.

Zijn ouders stelden hem in de gelegenheid om aan de universiteit in Leiden te gaan studeren en tussen 1864 en 1866 als hulponderwijzer in Zaandam heeft hij zich kunnen voorbereiden op het toelatingsexamen voor de universiteit. Van 1866 tot 1871 was hij student in Leiden; op 15 augustus 1869 werd hem als candidaat in de wis- en natuurkunde een zilveren medaille toegekend door de universiteit in Groningen voor de beantwoording van een wiskundige prijsvraag omtrent rozetvormige krommen $r^n=a^n \cos n \theta$, opgegeven door de wis- en natuurkundige faculteit aldaar. Op zaterdag 7 october 1871 om 2 uur 's middags promoveerde hij summa cum laude bij David Bierens de Haan (1822-1895), die in 1870 ook de promotor van de latere collega Pieter Hendrik Schoute (1846-1913) was geweest, tot doctor in de wis- en natuurkunde en cosmographie op een proefschrift [1] getiteld: De analytische kenmerken der bijzondere punten van kromme lijnen en oppervlakten I.

Leraar. In 1871 verschijnen de volgende berichten: "Als leeraar in de wiskunde en kosmografie, op eene jaarwedde van f 1800 aan de hoogere burgerschool te Deventer, zijn door burgemeester en Wethouders aan den raad voorgedragen, alphabetisch gesteld, de heeren F. de Boer, doctorandus te Leiden en D.J. Korteweg, leeraar aan de hoogere burgerschool te Tilburg" en, iets later, "De heer de Boer, doctorandus aan de hoogeschool te Leiden, is benoemd tot leeraar in de wiskunde aan de hoogere burgerschool te Deventer". Het betrof een positie als opvolger van de civiel ingenieur Adrianus Jacobus van Pesch (1837-1916) die in Delft tot hoogleraar was benoemd en uiteindelijk in Amsterdam zou belanden. Zoals uit het bovenstaande blijkt was de Boer op het ogenblik van zijn benoeming nog niet gepromoveerd; de voorwaarde bij de benoeming was ervoor te zorgen "dat hij binnen een maand na het einde van de aanstaande groote vacantie den titel van doctor verkregen hebbe". Deze voorwaarde verklaart waarschijnlijk ook de toevoeging I in de titel van het proefschrift: de rest van zijn onderzoek uit Leiden zou later verschijnen.

Eenmaal in Deventer heeft hij echter het gehele promotieonderzoek op een toegankelijker wijze opgeschreven en laten verschijnen onder de bescheiden titel Iets over aanraking bij kromme lijnen en oppervlakken [3]. Op het ogenblik van zijn benoeming was Deventer zeer aantrekkelijk want de H.B.S., het vroegere Atheneum Illustre, had een zesde jaar, waarin ook wiskunde gedoceerd werd die tot het normale candidaatsprogramma wiskunde behoorde. Hij moet in Deventer zeer gewaardeerd geweest zijn: in oktober 1878 werd de jaarwedde van De Boer op 2000 gulden vastgesteld en daarmee was deze wiskundeleraar een van de best-verdienenden op de H.B.S. Zijn tijd in Deventer heeft hij verder besteed om zijn algemene kennis te verbreden. Hij leerde Italiaans om Dante te kunnen lezen en hij verkreeg een enorme woordenschat in het Frans. Als hij, om met de kritische Schoute te spreken, "zich toen wiskundig minder schuil had gehouden" had hij al veel eerder een hoogleraarspositie bemachtigd.

Toen de Deventer H.B.S. het zesde studiejaar verloor werd deze plek minder aantrekkelijk en zag hij om naar andere betrekkingen. In 1879 wordt hij door de gemeenteraad van Delft benoemd tot leraar wiskunde aan het gymnasium maar hij kiest voor Leiden. Vanaf 1 juni 1879 is Floris leraar aan de H.B.S. te Leiden, waar hij tot 15 mei 1884 werkzaam zal zijn. Hij treedt in het huwelijk op 24 juli 1879 en de eerste kinderen zullen in Leiden geboren worden; later meer over de gezinssituatie.

Hoogleraar. In Groningen overlijdt in September 1883, zeer onverwacht, na een zesjarig hoogleraarschap de wiskunde hoogleraar Hendrik Jan Rink (1846--1883) en er ontstaat een vacature voor een hoogleraarspositie. De andere wiskundepositie in Groningen wordt sinds 1881 ingenomen door de al eerder genoemde Schoute, die zich hoofdzakelijk met de meetkunde bezighoudt. De faculteit stelt een lijst op met candidaten:

  1. Diederik Johannes Korteweg (1848-1941),
  2. Thomas Joannes Stieltjes (1856-1894),

die zich beiden voornamelijk op het gebied van de analyse bewegen. Korteweg die in 1881 in Amsterdam benoemd was bleef liever in Amsterdam en dus kwam de faculteit met een nieuwe lijst met candidaten:

  1. Thomas Joannes Stieltjes,
  2. Floris de Boer.

Stieltjes accepteerde het voorstel om naar Groningen te komen, maar het ministerie verhinderde zijn komst: als student had Stieltjes er een hekel aan om examen te doen en dus was hij noch afgestudeerd, noch gepromoveerd. Zodoende volgde de benoeming van Floris de Boer tot hoogleraar in de wiskunde in Groningen.

Het jonge gezin verhuist naar Groningen en Floris aanvaardt het ambt op 19 mei 1884 met de redevoering [8]: De wiskunde der Indiërs. In deze rede toont hij aan dat algebra en arithmetiek uit de Indische traditie voorkomen en dat meetkunde daar geen grote vlucht nam. Verder gaat hij in op de beinvloeding van Arabieren en Grieken door de Indiërs. Zijn hoogleraarschap zal tot 1908, het jaar van zijn overlijden, duren. Het wetenschappelijke werk van de Boer dat hij in deze periode, maar ook daarvoor, verricht, komt later aan de orde. Naast verschillende maatschappelijke functies droeg de Boer ook op bestuurlijk universitair gebied zijn steentje bij. Zo was hij rector van de universiteit in 1895/1896. Onder zijn rectoraat telde de universiteit 452 studenten (waaronder 19 dames): 68 bij godgeleerdheid, 56 bij rechten, 210 bij geneeskunde, 52 bij letteren, en 66 bij wiskunde en natuurwetenschappen. Als rector was hij, net als toen zijn collega Schoute rector was, betrokken bij de bouw van het Academische Ziekenhuis. Op 23 Mei 1896 werd Jan Cornelis Kluyver (1860-1932), hoogleraar in de wiskunde aan de universiteit in Leiden, door de Groningse Senaat honoris causa bevorderd tot doctor in de wis- en natuurkunde. De plechtigheid zelf vond plaats op 6 Juli van dat jaar en rector de Boer trad tevens op als promotor. Kluijver had in Delft gestudeerd voor civiel ingenieur en was tot aan zijn benoeming aan de Leidse universiteit in 1892 als leraar wiskunde werkzaam geweest. Kluijver speelde onder andere een belangrijke rol in de vernieuwing van het wiskunde curriculum.

Figuur 4: EREPROMOTIE KLUYVER

Bij de rectoraatsoverdracht op 15 september 1896 hield de Boer een redevoering [11] getiteld De familie Bernoulli in de geschiedenis der wiskunde. Nu waren aspecten van het leven en werk van Johann Bernoulli in Groningen wel bekend: in 1852 werd er al over hem gesproken in een rede door de rector Enschede, en in 1864 wordt aandacht besteed aan Johann in Boeles' Levenschetsen der Groninger hoogleeraren in het universitair jubileum boek van 1864. Daarnaast waren deelstudies over Johann en zijn broer Jacob door Rudolf Wolf beschikbaar (Biographien zur Kulturgeschichte der Schweiz, Band 1 en 2, tussen 1858 en 1862). Maar de Boer pakte de zaak grondig aan en behandelde de gehele familie en haar connecties met wiskundigen buiten de familie, daarbij gebruik makend van informatie aangereikt door Johann Jakob Bernoulli, destijds hoogleraar in de archeologie te Basel. Opvallend is een voetnoot, waarin het bestaan van een schilderij met de vier broers Bernoulli wordt vermeld: "Nicolaas zelf zit voor den schildersezel, Jacob geeft les in Wiskunde aan Johannes, en Hieronymus kijkt den anderen kant uit." Een dergelijk schilderij is tot op de dag van vandaag nog niet boven water gekomen.

In november 1907 krijgt de Boer een hartkwaal en ondanks een tijdelijke verbetering moest het onderwijs van 1 februari tot medio juli 1908 door de wiskundige Willem de Sitter (1872-1936) verzorgd worden; de Sitter was in 1901 bij de Groningse sterrenkundige J.C. Kapteyn gepromoveerd. De situatie dwingt de Boer om per 1 october 1908 ontslag te nemen. Uiteindelijk overlijdt hij snel na zijn ontslag, aan het eind van het jaar op 21 December 1908.

Figuur 4: Overlijdensadvertentie

In zijn herdenking van de overledene (jaarboek 1908-1909) zegt de rector Gerardus Heymans (1857-1930) ondermeer het volgende over Floris de Boer: "Eene eenvoudige persoonlijkheid in de eerste plaats, wars van uiterlijken schijn, vrij van de onrust, de complicaties, de pretenties van onze tijd; doende wat zijn hand vond om te doen, en zich weinig bekommerende om het oordeel der wereld; geen eischen stellende aan het leven, maar het aanvaardende in blijmoedige resignatie. En tevens een man vrij van alle beperktheid, met een onbegrensden omvang van belangstelling; een man, wien nauwelijks een gebied van wetenschap of praktijk vreemd was gebleven, en die op elk onderwerp het licht kon laten schijnen van zijn klaren en ordelijken geest. Eene voltooide, harmonische, gelukkige persoonlijkheid ook, naar ik meen; eene die haar plaats gevonden had in de wereld, en zich meer en meer bewust was geworden van hare geschiktheid om die plaats met eere te vervullen".

Desondanks betreurt collega Schoute het dat de Boer niet meer gepubliceerd heeft en gaat verder, "De verklaring hiervoor is, dat er naar de mening van de Boer reeds te veel geschreven wordt en er verschillende verhandelingen verschijnen, waarvan het beter zou zijn, dat ze niet waren uitgegeven; vergat hij daarbij niet, dat juist zij die dit zoo diep gevoelen, hierin een waarborg bezitten, dat dit vernietigend oordeel niet op hun geschriften zou worden toegepast?"

Figuur 5: Teraardebestelling

Wiskundige. Onderzoek en onderwijs van de Boer waren sterk op analyse gericht. Inderdaad heeft hij, zoals Schoute opmerkte, niet veel gepubliceerd maar daarentegen zijn een aantal van zijn resultaten niet onopgemerkt gebleven.

In zijn proefschrift [1] en in de latere, meer volledige, maar vereenvoudigde versie van zijn promotiearbeid die in Deventer tot stand kwam [3] gaat het om de karakterisering van singulariteiten op krommen en op oppervlakken.

Later in Leiden heeft de Boer gewerkt aan een uitbreiding van de gebruikelijke stelling van Rolle. Het betreft de ligging van de nulpunten van een polynoom in het compleze vlak en de nulpunten van zijn afgeleide; een onderwerp waar ook Legebeke en Stieltjes het hoofd over hadden gebogen. Zeer gedetailleerde resultaten zijn door hem afgeleid, zie [5] en [7]. Deze uitbreiding van de stelling van Rolle heeft in Franse vertaling (6) zijn weg naar de literatuur gevonden.

Ook het Groningse werk van de Boer over de methode van Darboux bij partiele differentiaalvergelijkingen [9], ook weer in Franse vertaling [10], is opgevallen in het buitenland. Het werd door Forsyth genoemd in zijn rede voor het International Congress of Mathematicians van 1908 in Rome; en in Forsyth's Theory of Differential Equations, Vol 4, wordt de Boer's werk behandeld. Overigens wordt er nog steeds naar de Boer's behandeling verwezen (zie bijvoorbeeld het werk van Anderson, Fels, and Vassiliou).

Uit 1901 stamt de behandeling van een temperatuur verdeling in een medium [13]. Qua onderwerp staat het wat buiten de Boer's eigenlijke werkgebied. Het maakt onderdeel uit van een Festschrift voor de Nederlandse natuurkundige Johannes Bosscha Jr. Het Festschrift bevat bijdragen van vele grote geleerden uit binnen- en buitenland.

De laatste publicatie [14] uit 1906/1907 (in het Nieuw Archief) betreft de berekening van de inhoud van een lichaam, dat aan drie niet geheel buiten elkaar liggende bollen gemeen is. Het is te zien als een commentaar op een in hetzelfde tijdschrift voorafgaande publicatie van J.C. Kluyver.

Het onderwijs in de wiskunde was bij de Boer in goede handen. Kennelijk enigszins ontevreden over de toegankelijkheid van de bestaande leerboeken over elliptische functies, zoals het door hem genoemde Traité des fonctions elliptiques van G.-H. Halphen (volgens De Boer in vele opzichten voortreffelijk, maar te uitvoerig en omslachtig), kwam hij met een eigen introductie tot dit gebied [12]. Hier was uiteindelijk een tekstboek over elliptische functies dat ook toegankelijk was voor natuurkundigen en waar aandacht besteed werd aan numerieke benaderingen.

Ook het onderwijs op de middelbare school lag de Boer zeer na aan het hart. Nog in Deventer heeft hij in 1877 een bewerking [4] van Lockeyer's populaire Astronomy gepubliceerd. Norman Lockeyer (1836-1920) was een uiterst veelzijdige Engelse sterrenkundige en oprichter van het tijdschrift Nature. Zijn boek was bedoeld voor gebruik op school maar de auteur hoopte ook 'children of larger growth' met dit werk te bereiken. De Boer heeft plan en indeling van het oorspronkelijk werk behouden en ook de keuze van de onderwerpen aan Lockyer ontleend, maar "overigens zich talrijke afwijkingen veroorloofd, die hem voorkwamen verbeteringen te wezen" (De Gids, 1877). Die betrokkenheid bij het onderwijs op de middelbare school is tevens te ontlenen aan (2). De zorg omtrent de keuze van vakliteratuur voor de hogere burgerscholen klinkt hier nog heel authentiek.

Met Schoute en de Boer stapte de Groningse wiskunde de twintigste eeuw binnen. Wiskunde werd niet langer behandeld als een hulpwetenschap; daarnaast waren de studenten met hun H.B.S. opleiding beter georienteerd op de natuurwetenschappen. De benoeming van Schoute en de Boer kan gezien worden als een breuk met het verleden: de toekomst was zonnig.

Maatschappelijke functies. Al vrij snel na zijn benoeming in Deventer, in 1872, werd de Boer lid van de commissie voor de acte-examens bij het middelbaar onderwijs met betrekking tot de 'wis- en natuurkundige wetenschappen, zeevaartkunde, teekenen en boetseren'. Later heeft de Boer naast zijn hoogleraarschap verschillende maatschappelijke functies bekleed. Zo was hij, net als zijn voorganger Rink, lid van de gemeenteraad en uit dien hoofde vertegenwoordigde hij de gemeente Groningen bij de naamloze vennootschap 'De Groninger Waterleiding.' De Boer was lid van de commissie van toezicht op het lager onderwijs en hij was curator van het gymnasium.

Aan het eind van de negentiende eeuw kwamen veel collectieve verzekeringen tot stand en werd er nagedacht over ziektekosten en pensioenen. Waar bijvoorbeeld Kluijver de regering adviseerde over pensioenen en (verplichte) verzekeringen voor ziektekosten en arbeidsongeschiktheid hield de Boer zich bezig met collectieve verzekeringen. Veel verzekeringsinstellingen gingen kopje onder door onkunde van de overigens welwillende oprichters, die kennelijk snel de tarieven gingen verlagen zonder de later opdoemende verplichtingen te overzien. Verschillende van deze instellingen zijn door de Boer van de ondergang gered door het opstellen van nieuwe verantwoorde tarieven. Zo was de Boer in 1899 commissaris van de 'brandwaarborgmaatschappij' Beperkt Risico, en ook was hij wiskundig adviseur van de Assendelfter vereniging 'Het Begrafenisfonds', waarvan zijn broer Cornelis voorzitter was. Al dit tijdrovende werk werd meestal geheel belangeloos gedaan.

Te Groningen is op ruim 62-jarigen leeftijd overleden prof. FLORIS DE BOER, sinds eenige maanden emeritus-hoogleeraar aan de Universiteit te dier stede en lid van den gemeenteraad; in 1871 gepromoveerd tot doctor in de wis- en natuurkunde, was hij achtereenvolgens leeraar aan de H.B.S. te Deventer (1871-1879) en te Leiden (1879-1884); in laatst-genoemd jaar aanvaardde hij het hoogleeraarsambt te Groningen. Van zijne hand verschenen zeer belangrijke verhandelingen, studien enz. op wiskundig gebied; ook op maatschappelijk terrein is prof. DE BOER werkzaam geweest. (BRON: pag. 12 + foto, DE PRINS der geillustreerde bladen 2 januari 1909)

Huwelijk en familie. Floris de Boer is op 24 juli 1879 in Arnhem getrouwd met Christina Geertruida Sara (Trui) van den Bosch (Goes 20 mei 1850 - Amsterdam 22 juni 1930). Zij was een dochter van de arts en botanicus Roelof Benjamin van den Bosch (1810-1862), die nog aan de tiendaagse veldtocht had deelgenomen, en Martina Geertruid Lenshoek (1817-1872). Ten tijde van het huwelijk woonde Sara in Arnhem, vermoedelijk bij haar zuster Margaretha Sara van den Bosch en zwager Gualtherus Jacob Dozij, die leraar in Deventer was geweest.

Figuur 1: Dankbetuiging huwelijk

Het echtpaar de Boer-van den Bosch kreeg vier kinderen, twee zoons in Leiden en twee dochters in Groningen, die allen academisch geschoold werden:

Cornelis (1880-1957); getrouwd met Johanna Mesdag (1881-1949); in 1909 gepromoveerd aan de Sorbonne; hoogleraar Romaanse taal- en letterkunde in Leiden; lid KNAW.

Roelof Benjamin (1881-1957); getrouwd met Gesina Botje (1884-1957); in 1913 gepromoveerd in Utrecht; leraar scheikunde in Zaltbommel en Bussum.

Martina Geertruida (1884-1968); dra. klassieke talen; lerares, beëdigd translatrice; vooral taalcoach voor zangers; schreef Beknopte Italiaanse spraakkunst, 11e druk 1964, Noordhoff, Groningen.

Petronella Cornelia (1886-1961); getrouwd met Mr. Gerardus Felix (1882-1950); in 1910 gepromoveerd in Groningen; gemeenteraadslid in Arnhem.

Het gezin de Boer nam op 3 mei 1884 de leegstaande woning van de plotseling gestorven voorganger Rink aan de Heereweg 70 over. Ergens tussen 1884 en 1890 zijn ze verhuisd naar de Reitdiepskade. Daar waren op een terrein dat na de afbraak van de stadswallen in 1875-1878 was vrijgekomen twee symmetrisch uitziende huizen gebouwd als een stadsvilla. De eerste bewoners waren het gezin de Boer op nummer 6 met de grootste tuin, en het gezin van de hoogleraar geschiedenis Boissevain op nummer 7. Op de Reitdiepskade hadden ze nogal wat inwoning: van 1890 tot 1892 een nichtje Gertrude Martina Hendrica Dozy, en eind 1899 een broer, de arts Hendrik Gualterus Jacob van den Bosch, en een zuster Martina Geertruid van den Bosch. Na het overlijden van Floris blijven zijn weduwe met dochters Martina Geertruida en Petronella Cornelia op de Reitdiepskade wonen, in elk geval tot 1910. In onderstaande foto is een aantal van deze personen afgebeeld. Nog in 1909 schenkt Mevrouw de Boer, mede namens de kinderen, een portret van haar man, postuum geschilderd naar een foto van H. Weinberg, aan de universiteit.

Familie De Boer. Achterste rij van links naar rechts: H.G.J. van den Bosch, F. de Boer, ??. Middelste rij: Mevrouw De Boer en M.G. van den Bosch. Voorste rij: M.G. de Boer, R.B. de Boer en P.C. de Boer. Zie hierboven voor details.

Aan het begin van de tweede wereldoorlog, in de vroege ochtend van Woensdag 20 November 1940, werd het huis aan de Reitdiepskade 6 per ongeluk gebombardeerd door de Engelse luchtmacht. Het werd volledig verwoest en er viel een dode te betreuren, een logé van de bewoonster. Beide woningen van de stadsvilla werden in 1941 gesloopt. Na de oorlog verscheen op de plek van Reitdiepskade 6 en 7 het eerste, zeer lelijke, Groningse flatgebouw. Overigens, op dezelfde ochtend waarop Reitdiepskade 6 werd getroffen, werd ook het huis waar Boele Braaksma, een latere opvolger van Floris de Boer, met zijn ouders woonde door een brandbom geraakt, echter zonder al te ernstige gevolgen.

Figuur 3: Reitdiepskade 6

Floris had een broer Klaas (1852-1936) en twee zusters Aagje (1849--1879) en Neltje (1855-1874). Klaas de Boer Czn. kreeg zijn opleiding op de lagere school en werd, in tegenstelling tot Floris, wel boer. Op jeugdige leeftijd werd hij al burgemeester van Assendelft; verder was hij tussen 1892 en 1909 lid van de tweede kamer en tussen 1910 en 1922 lid van de eerste kamer. Zijn zoon Jan Johannes en kleinzoon Jan (op verzoek van de bevolking) waren ook burgemeester van Assendelft. De aaneengesloten dynastie van de burgemeesters de Boer in Assendelft duurde 92 jaar van 1879 tot 1971.

Opvolging. De opvolging van de Boer na zijn vertrek ging niet zonder slag of stoot. Als opvolger werd aangewezen Frederik Schuh (1875-1966) die tussen 1905 en 1907 privaatdocent in Groningen geweest was. Inmiddels benoemd tot hoogleraar in Delft kon deze pas in October 1909 in Groningen beginnen. Ondertussen was De Sitter hoogleraar sterrenkunde en directeur van de sterrenwacht in Leiden geworden. Dus moesten voor het onderwijs in de tussenperiode tijdelijke maatregelen genomen worden, waarbij ook nog het advies van de Boer zelf gevraagd werd. De Friese natuurkundige en dichter Obe Postma (1868-1963), leraar aan de Rijks H.B.S. in Groningen, bleek niet geïnteresseerd te zijn, en ook bij L.E.J. Brouwer (1881-1966) vangt men bot. Uiteindelijk zullen de gymnasiumleraren Schonfeld (Groningen) en Niesen (Winschoten) de colleges waar nemen.

In de notulen van de faculteitsvergaderingen (met dank aan J. Guichelaar en F. Steenmeijer) is de procedure over de colleges van De Boer te volgen. Op 18- 01-1908 volgde de faculteit de suggestie van De Boer op de sterrenkundige dr. Willem de Sitter tot de paasvakantie de vier niet-candidaatscolleges op te dragen (3 uur differentiaal- en integraalrekening, 1 uur hogere algebra). Prof. Kapteyn en de president-curator hadden geen bezwaar. Zijn opdracht liep van 1 februari tot en met 14 april, verlengd tot 11 juli. Na zijn ontslag wordt aan Curatoren gevraagd of er bezwaar is tegen een tijdelijke waarneming van de colleges. Curatoren vragen namen voor de opvolger. Op 12-10 wordt besloten Frederik Schuh voorlopig op plaats één van de voordracht voor de vacature De Boer te plaatsen. Schuh (1875- 1966) zou deze functie tot 1916 bekleden. Men besluit tevens Postma te verzoeken tijdelijk de colleges waar te nemen, die eerst door De Sitter waren gegeven: onder dien verstande dat hem daarbij zal worden te verstaan gegeven, dat hij op eene aanbeveling voor eene definitieve benoeming niet te rekenen heeft. Bovendien moest De Boer er zich in kunnen vinden. Op 23-10 deelt voorzitter Schoute mee dat de Hr. Postma bezwaar heeft gemaakt de lessen van den Hr. de Boer tijdelijk waar te nemen. Op 4-11 wordt Schuh definitief nummer één op de voordracht, maar hij wil op voorhand de tijdelijke colleges niet geven. Op 9-11 wordt meegedeeld dat L.E.J. Brouwer de tijdelijke colleges ook niet wenst te geven. De faculteit besluit nu (in arren moede?) de gymnasiumleraren Schönfeld (Groningen) en Niesen (Winschoten) te vragen de colleges waar te nemen. Op 13-11 schrijft Moll (wellicht enigszins beschaamd) aan Curatoren dat de faculteit twee keer bot gevangen heeft, maar nu toch twee kandidaten heeft. Op 16 november deelt de voorzitter mee dat de twee de colleges willen geven en er die week al mee beginnen. Zij zullen het tot 9 juli 1909 doen. Op 8-10-1909 is Schuh voor het eerst aanwezig in de faculteitsvergadering. Curieus is de zinsnede in het faculteitsverslag dat Postma bezwaar heeft gemaakt. Misschien voelde hij zich in zijn eer aangetast dat hij niet mee kon solliciteren. Hij heeft de colleges, zoals eerder wel verondersteld op basis van de aan hem geschreven brief, dus nooit gegeven.

Literatuur over F. de Boer:

Promoties bij F. de Boer:

  1. H.A.W. Speckman, Integratie van partieële differentiaalvergelijkingen, Wolters (1889).
  2. W.A. Poort, Een bijzondere klasse van Abelsche integralen, ?? (1896).

Publicaties van F. de Boer:

[1] De analytische kenmerken der bijzondere punten van Kromme Lijnen en Oppervlakken I. Fa. Wed. P. de Lange, Deventer, 1871.
[2] Voorwoord bij A.J. Duyfjes: Theorie der algebra naar Ch. Briot. Deventer, Jac. van der Meer, 1874.
[3] Iets over aanraking bij kromme lijnen en oppervlakken. Fa. Wed. P. de Lange, Deventer, 1875.
[4] Het heelal (naar Lockyer's astronomy). W. Hulscher, Deventer, 1877.
[5] Uitbreiding van het theorema van Rolle, Amst. Versl. en Meded. XIX (1884), 384-416.
[6] Extension du théorème de Rolle. Arch. Néerl. XIX (1884), 207-240.
[7] Discussie der algemene vierde-machtsvergelijking. Amst. Versl. en Meded. XX (1884), 413-452.
[8] De wiskunde der Indiërs (inaugurele rede Groningen). Brill, Leiden, 1884.
[9] Toepassing van de methode van Darboux op de differentiaal-vergelijking $s=f(r,t)$, Amst. Versl. en Meded. (3) VIII (1891), 221-286.
[10] Application de la méthode de Darboux à l'intégration de l'équation différentielle $s = f (r, t)$. Arch. Néerl. XXVII (1893), 355-412.
[11] De familie Bernoulli in de geschiedenis der wiskunde (rede bij de overdracht van het rectoraat 1896). Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen, 1895-1896, Groningen, Wolters, 1896.
[12] Beknopte elementaire theorie der elliptische functiën. Wolters, 1899.
[13] Considérations élementaires relatives à l'influence de la pesanteur sur la distribution de la température dans une masse gazeuse. Arch. Néerl. (2) 6 (1901), 641-649.
[14] Berekening van den inhoud van het lichaam, dat aan drie niet geheel buiten elkaar liggende bollen gemeen is. Nieuw Archief (2) 7 (1906, 1907), 11-19.

Bronnen. Dit bericht is hoofdzakelijk gebaseerd op de herdenking In Memoriam Viri Doctissimi Florentii de Boer door P.H. Schoute in de Almanak van 1909, op de informatie voorradig in de verschillende jaarboeken van de universiteit tussen 1884 en 1909, en op mededelingen in verschillende contemporaine kranten. Daarnaast zijn op deelgebieden nog de volgende bronnen geraadpleegd: wiewaswie; allegroningers; annonces in verschillende contemporaine kranten; Parlementair Documentatie Centrum. Voor de huisvesting is ingezien het bevolkingsregister van Groningen, tafels voor 1880-1890, 1890-1900 en 1900-1910, en De A-krant, maart 2016. Het verhaal over de opvolging is te vinden in Overzicht natuurwetenschappelijke brieven van en aan Obe Postma, transcriptie en annotatie door Jan Guichelaar en Frans Steenmeijer. Mevr. Laura Leussink-de Boer, een achter-kleindochter van Floris was zo vriendelijk wat verdere informatie te verschaffen en zij heeft ook de familiefoto ter beschikking gesteld. Ik bedank Mevr. Leussink-De Boer voor haar ondersteuning en Jan van Maanen voor veel speurwerk.

[HWB en HSVdS, Augustus 2018]