Johann Bernoulli Stichting voor de Wiskunde te Groningen

Jan Willem Ermerins 1798-1869

Jan Willem Ermerins (Zierikzee 19 February 1798 - Groningen 2 March 1869) was a professor at the University of Groningen between 1835 and 1869.

Jan Willem Ermerins werd op 19 Februari 1798 geboren te Zierikzee met als vader de arts Robbert Carel Ermerins en als moeder Helena Maria van Adrichem. Beide ouders komen uit aanzienlijke families, het zijn godvrezende, verstandige burgers en goede ouders. Jan Willem heeft een oudere broer Jan Pieter en jongere broers Hendrik Albert (overleden 1821), Willem en Jacob Jan. Hij huwde 18 Augustus 1825 te Utrecht met Anna Maria Kien, geboren 28 Augustus 1801 in 's Hertogenbosch, een volle nicht van moeders zijde. Zij was dochter van Mr Jacob Kien, Lid van het Crimineel Gerechtshof te ’s Hertogenbosch, en van Elisabeth Hester van Adrichem, zij stierf op 11 September 1865 plotseling tijdens een reis en werd te Lippspringe in Westfalen begraven. Jan Willem Ermerins overleed op 2 Maart 1869 te Groningen. Het gezin Ermerins-Kien telde elf kinderen:

  • Robbert Carel, Franeker 15 Juni 1826 - Franeker 19 Juni 1826;
  • Helena Maria, Franeker 28 September 1827 - Utrecht 29 Augustus 1897;
  • Robbert Carel, Franeker 11 Februari 1829 - St Petersburg 9 September 1907. Hij was als Roman Ivanovitch Ermerin ambtenaar van de keizerlijke bibliotheek aldaar;
  • Elizabeth Hester, Franeker 8 Januari 1831 - Den Haag 20 Augustus 1912. Zij was getrouwd met Arnoldus Wilhelm Alings (1821-1894), arts, wiskundige en directeur van het doofstommeninstituut in Groningen;
  • Jacob Pieter Nicolaas, Franeker 22 September 1832 - Rotterdam 26 Juli 1894. Hij was rijksarchivaris;
  • Francois Hendrik Albert, Franeker 30 November 1834 - Franeker 20 Mei 1835;
  • Francois Hendrik Albert, Groningen 20 October 1838 - Groningen 8 Juli 1850;
  • Jan Carel, Groningen 16 Januari 1840 - Groningen 23 Februari 1840;
  • Johanna Gijsberdina Elizabeth, Groningen 6 Mei 1841 - Groningen 26 October 1865;
  • Jan Willem Carel, Groningen 22 April 1843 - Zeist 30 December 1891. Hij was arts;
  • Jacob Jan, Groningen 29 Maart 1845 - Leiden 27 April 1909. Hij was vice-president van de arrondissements rechtbank te Amsterdam.

Opleiding. Jan Willem Ermerins was op het gymnasium een goede leerling en kreeg zijn inwijding in de klassieke letterkunde van Willem Leonard Mahne (later hoogleraar Universiteit Gent en na den Belgischen opstand te Leiden) en in de wiskunde door predikant en wiskundeleraar Jacob Abraham Dompeling.

In 1816 studeerde hij te Leiden en kreeg onderricht van J. Bake en S.J. Brugmans (chemie, botanie, natuurlijke historie en geologie). Met Brugmans had hij het beste contact. Wis- en Natuurkunde hadden zijn grote belangstelling, maar ook medicijnen. Hij was favoriet bij de leermeesters G. Sandifort, J.C.B. Bernard, J.C. Kraus en M.S. du Puy Verder S.J. van de Wijnpersse en S. Speijert van der Eijk (logica en metaphysica), C. Ekama (wis- en sterrekunde).

In 1819 werd Ermerins onderscheiden voor twee prijsvragen Over de geschiedenis der uitvinding van de compensatieslinger en de theorie daarvanen Wet der scheikundige verwantschap; beide warden met goud bekroond. In 1824 promoveerde Ermerins te Leiden tot doctor er magister matheseos et philosphiæ naturalris op het proefschrift De refractione astronomica bij Cornelis Ekama (1773-1826) en Simon Speijert van der Eijk (1771-1837). Zijn jongere broer Jacob Jan promoveerde in 1827 bij P.J. Uijlenbroek.

Loopbaan. Hierna vestigde Ermerins zich eerst als praktiserend geneesheer in Den Haag. Dit was slechts van korte duur want in 1825 werd hij door ’s Konings keuze geroepen om aan het Rijks Atheneaum te Franeker om de overleden hoogleraar J. Pierson Tholen op te volgen in het onderricht in Mathesis, Physica, Logica en Metaphysica (de bespiegelende en natuurlijke wijsbegeerte en wiskunde).

Zijn oratie luidde De studio matheseos ad plurimorum hominum ingenia accommodato. Hij vond wiskunde nuttig voor iedereen en weerzin daartegen weet hij aan een minder gelukkige opleiding. De wiskunde had Ermerins lief, zoveel is zeker, zeker ook het onderwijs hierin. Nog in 1843 schreef hij een pamflet Bedenkingen tegen de pogingen door de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde Kerk bij Z.M. den Koning aangewend, om de studenten in de godgeleerdheid aan onze hoogescholen te ontslaan van alle verpligte studie in de mathesis. Hij was zelf een erudiet en begenadigd docent.

Ermerins bekleedde gedurende drie jaar het rectoraat dat hij in 1832 overdroeg. De bijbehorende rectorale rede luidt De Physicorum methode vere philosophia. Hij nam in 1830 aan het hoofd der Franeker Professoren afscheid van de Groningse studenten die deelnamen aan de 10-daagse veldtocht.

In Franeker kon Ermerins beschikken een Physisch Kabinet, dat een instrumentarium bevatte voor demonstratieproeven, voornamelijk ter ondersteunig van colleges en andere voordrachten. Bekend is in dit verband zijn Beschrijving van den Electrodynamischen toestel van Ampère in Bijdragen tot de Natuurkundige wetenschappen. Dit ‘volkomen elektrodynamische toestel' had hij destijds in Parijs onder het toezien oog van Ampère zelf vervaardigd. Hij was reeds als jeugdige geleerde in Parijs geweest om zich in de belangstelling van Professor Ampère aan te bevelen. Ermerins gaf regelmatig voordrachten voor het Departement Franeker der Maatschappij tot ‘t Nut van ‘t Algemeen, uitgegeven in vaderlandse tijdschriften. Ook sprak hij regelmatig voor een algemeen publiek, bijvoorbeeld Over ’s menschen natuurlijk waarheid-gevoel.

Na een 10-jarig verblijf te Franeker, in 1835, werd Ermerins benoemd aan de Hogeschool te Groningen (later Rijksuniversiteit Groningen) als opvolger van Seerp Brouwer. Op 16 September 1835 klonk de oratie De matheseos vi ad acuendum veri sensu. Hij gaf na enige tijd zijn colleges in het Nederlands. Behalve wis- en natuurkunde doceerde hij ook sterrenkunde, hetgeen hem bracht tot de vertaling van Sir John F.W. Herschel's handleiding bij de beoefening van de sterrenkunde "voor den beschaafden stand".

W.A. Enschede kwam in 1843 naar Groningen als buitengewoon hoogleraar, enige tijd later werd zijn benoeming ‘gewoon’. Enschede nam graag de mathesis en andere vakken der natuurlijke wijshegeerte van Ermerins over. Daardoor kon Ermerins zich nu meer toeleggen op het ontwikkelen van natuurkundeproeven voor zijn colleges en voordrachten. Ermerins was trouw aan Groningen, wat blijkt uit het feit dat hij in 1845 een aanzoek uit Leiden verwierp, ook al betrof dit de opvolging van Uylenbroek.

Pieter Johannes Uylenbroek (1797-1844) was een gerenommeerde Leidse wis- en sterrenkundige. Hij had als promovendi J.J. Ermerins (1827, de lege repulsionis electirca), W.A. Enschedé (1834, de calore qui excitatur electricitate), P.L. RIjke (1836, specimen physicum inaugurale de origine electriciatis Voltaicae), N.H. van Charante (1844, dissertatio fysica inauguratie contines disquisitiones quasdam, experimentales et theoreticas, circa magnetismum Rotation excitatum).

AFWIJZING BENOEMING LEIDEN 1845

Het Physisch Kabinet. In Groningen gaf men indertijd colleges in de huiskamer van de hoogleraar, waar dan ook de bijbehorende natuurkundeproeven warden uitgevoerd. Als gezegd beschikte Ermerins reeds in Franeker over een Physisch Kabinet, en in Groningen verwierf hij in het (toenmalig) nieuwe Academiegebouw een ruime collegekamer op de bovenste verdieping, annex werk- en zitkamer voor de hoogleraar. Hij had daar een fraaie verzameling van instrumenten bijeengebracht, opnieuw een Physisch Kabinet, en kreeg hiervoor jaarlijks een budget van 800 gulden.

(K)NG en K(N)AW. Ermerins was ook zeer actief in het (Koninklijk) Natuurkundig Genootschap. Zo gaf hij hierin regelmatig voordrachten en trad ook enige tijd op als bestuurder. Het (K)NG had in de 19e eeuw een belangrijke verbindende rol in het verbinden van de nog niet heel onderscheiden disciplines wis-, schei-, natuur- en sterrenkunde, zie ook de inleiding tot deze website.

In 1830 werd Ermerins benoemd tot lid tot lid der eerste klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut en na de opheffing hiervan in 1852 tot lid der Koninklijke (Nederlandse) Academie van Wetenschappen, en in de Verslagen en Mededeelingen vindt men opstellen van Ermerins Over de identiteit van licht en stralende warmte, en Over de dagelijksche beweging van den barometer te Groningen van December 1851 tot November 1861. Dergelijke metereologische waarnemingen deed hij, net als collega Enschedé, bij voortduring door middel van door hemzelf uitgedachte zelfregistrerende instrumenten. Hierin trachtte hij patronen te herkennen. Vanuit zijn woning werkte hij voorts krachtig mee tot verbetering der brandblusmiddelen en tot het stellen van een bliksemafleider op de Martinitoren, voor welke diensten de stedelijke raad hem een zilveren blad met het stadswapen aanbood. Voorts wijdde hij als curator zijn trouwe zorg aan het gymnasium, dat onder zijn bestuur ongemeen bloeide. Het Zeeuws en Utrechts Genootschap, de Leidse Maatschappij van Nederlandse letterkunde benoemden hem tot lid. Nadat hij in 1845 een beroep naar Leiden had afgewezen, werd hij in 1846 versierd met de orde van de Nederlandse Leeuw. Verder was hij buitengewoon lid van verdienste in het wetenschappelijk vak van het Wiskundig Genootschap, consulerend lid van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam.

De enige promotie bij J.W. Ermerins vond plaats in 1837: dit betrof Dr Willem Gleuns (jr) die bij hem promoveerde op het proefschrift Dissertatio mathematico-astronomica de maculis solaribus. Diens zoon Jan Gleuns zou in 1878 bij R.A. Mees zou promoveren op proefschrift Thermodiffusie van gassen. In ‘’Het Vijf-en-zeventigjarig bestaan van het Natuurkundig Genootschap te Groningen’’ schreef W. Gleuns een lofdicht.

Persoonlijkheid. Al tijdens zijn studentenleven werd Jan Willem Ermerins ervaren om zijn beminnelijkheid en intelligentie. Hij werd algemeen gewaardeerd als een oprechte persoon, die, zoals in die tijd te doen gebruikelijk was, een goede godsdienstige opvoeding genoten had: “Gelukkig het kind, dan van zijne ouders zulke inlichtingen mag ontvangen, waaraan het tot in den hoogsten ouderdom geloven kan”, Aldus J.H. Philipse in zijn Levensbericht, hieronder.

OVERLIJDENSBERICHT

                Prof W.A. Enschede: Rede aan het graf van J.W. Ermerins

Overlijden. Op 2 Maart 1869 overleed Ermerins, aan wiens graf W.A. Enschedé een rede uitsprak. Zijn zoon J.J.C. Enschede, toenmalig rector der studenten-vereeniging Vindicat atque Polit, nam de honneurs waar namens de Groninger studenten.

BEGRAFENIS

Literatuur over J.W. Ermerins:

Publicaties en Geschriften van J.W. Ermerins:

  • Descriptio historiae inventionis Penduli compensatorii, ut et expositio eiusdem Penduli theoriae in universum spectatae. - Responsio ad quaestionem ab Ordine Disc. Math. et Phys. Acad. Lugd. Batavae propositam, quae praemium reportavit d. 8 m. Februarii 1819
  • Responsio ad quaestionem ab Ord. Disc. Math. et Phys. Acad. Lugd. Batavae propositam: "qua lege vis affinitatis chemicae regitur, habita ratione quantitatis corpornm coniunctorum," - quae praemium reporlavit d. 8 m. Februarii 1820
  • Dissertatio De refractione astronomica. Lugd. Bat. 1824
  • Dissertatio medica inauguralis De ratione inter formam ossium aliarumque partium corporis humani. Lugd. Bat. 1824
  • Oratio De studio matheseos ad plnrimorum hominum ingenia accommodato, habita Franequerae d. 8 m. Junii 1825, quum professionem in Athenaeo Franequerano auspicaretur
  • Oratio De physiconum 'methodo vere philosopha, habita d. 25 m. Junü 1832, quum Athenaei, quod Franequerae est, regundi munus deponeret
  • Oratio De matheseos vi ad acuendum veri sensum habita Groningae d. 16 m. Septembris 1835, quum professionem in Ord. Disc. Math. et Phys. auspicaretur. Annales Acad. Groning. a. 1834-1835
  • Oratio qua collegarum, proximo anno defunetorum, L.G. PARlIAU, N. MULDER, J. BAART DE LA. FAILLE, memoriam recoluit, habita d. lO m. Octobris 1867, quum magistratum academicum deponeret
  • Beschrijving van den electro-dynamischen toestel van AMPÈRE. Bijdragen tot de natuurk. wetenschappen verz. door H.C. VAN HALL, W. VROLIK en G.J. MULDER. 3de Dl. 1828
  • Over 's menschen natuurlijk waarheidsgevoel. Voorlezing, gehouden den 16den Maart 1832 te Franeker. Rec. d. Rec. Dl. 25 2de Stuk, bI. 350
  • Handleiding bij de beoefening der sterrekunde van Sir John F. W. HERSCHEI uit het Engelsch vertaald door J. W. ERMERINS. Groningen, 1838-1840. 2 Dln
  • Bedenkingen tegen de pogingen door de Synode der Herv. Kerk aangewend, om de studenten in de Godgeleerdheid aan onze troogescholen te ontslaan van alle verpligte studie in de mathesis. W.V. Boekeren, Groningen 1843
  • De Akademie Minerva, aangeprezen in twee voorlezingen, door H. T. ROSKES en J. W. ERMERINS Groningen, 1845.
  • Is er verband tusschen materialistische rigting en natuurk. wetenschappen? Blikken in het leven der natuur. 1856
  • Over de identiteit van licht en stralende warmte. Versl en Meded. d. Kon. Akad. v. Wetensch. Dl. 7
  • Levensberigt van C. Mulder. Jaarboek. v.d. Kon. Academie van Wetenschappen 1867

IN DE KRANT

Mathematics Genealogy Project voor J.W. Ermerins

[HWB en HSVdS, January 2019 - in voorbereiding]