Johann Bernoulli Stichting voor de Wiskunde te Groningen

De academische wiskunde in Groningen

Deze website behandelt de geschiedenis van de Groningse wiskunde in de vierhonderd jaar sinds de oprichting van de universiteit in 1614. Ten behoeve van de lezer wordt een zeer beknopte inleiding gegeven over het reilen en zeilen van de wiskunde in Nederland, en met name in Groningen, vanaf het begin van de zeventiende eeuw tot het eind van de twintigste eeuw. Centraal in deze website staan de levensbeschrijvingen van de individuele beoefenaren ingebed in relevante lotgevallen van de universiteit. Hierbij moet opgemerkt worden dat tot ver in de 19e eeuw bij die beoefenaren nauwelijks onderscheid gemaakt werd tussen wis-, natuur- en sterrenkunde.

Over de eerste twee eeuwen is veel informatie te vinden in Levenschetsen der Groninger Hoogleraren van W.B.S. Boeles uit 1864. Voor de 19e eeuw zij verwezen naar Geschiedenis der Universiteit gedurende de derde eeuw van haar bestaan van Joh. Huizinga uit 1914. Waar mogelijk wordt op deze website tevens gebruik gemaakt van nieuwere bronnen. Voor wat betreft het recentere verleden wordt een beroep gedaan op eigen interactie met wat oudere zegslieden. Ook blijken contacten met familieleden van toenmalige wiskundigen, soms tot achterkleinkinderen toe, bijzonder vruchtbaar en behulpzaam te zijn. Gegeven de vaak enigszins fragmentarische informatie is een uniforme behandeling van de individuele wiskundigen onmogelijk. Waar bij de één een wat zakelijker behandeling gegeven wordt, is bij anderen een petite historie meer op zijn plaats.

Velen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van deze webpagina's. Naast de verschillende familiebronnen moeten genoemd worden Danny Beckers, Tom Koornwinder, Joeri Meijer en Herman te Riele voor het beschikbaar stellen van stukken archief; Klaas van Berkel, Boele Braaksma, Aernout van Enter, Jan Guichelaar, Martinus van Hoorn, George Huitema, Piet van der Kruit, Henk Kubbinga, Wout Knol, Gerard Sierksma, Ida Stamhuis en Jaap Top voor het actief meedenken, en Peter Arendz, Hildeberto Jardón-Kojakhmetov, Alef Sterk en Holger Waalkens voor de technische ondersteuning. Voorlopig blijft deze geschiedenis een project in wording. De lezer wordt hierbij van harte uitgenodigd extra informatie aan te leveren.

Redactie
H.W. Broer, J.A. van Maanen en H.S.V. de Snoo

Inhoud

1. Wiskunde in Nederland

1.1. De universiteiten in de Noordelijke Nederlanden

1.2. Wiskunde in de Gouden Eeuw

1.3. Wiskunde in de achttiende en negentiende eeuw

1.4. De opbloei aan het eind van de negentiened eeuw

2. Wiskunde in Groningen

2.1. Goblale ontwikkelingen

2.2. Tabellen met hoofdrolspelers

3. Huisvesting

4. Wiskundig georiënteerde genootschappen

4.1. Het (Koninklijk) Natuurkundig Genootschap te Groningen

4.2. Het Gronings wiskundig dispuut "W4?"

4.3. Het Genootschap "Johann Bernoulli"

4.4. Verdere Nederlandse genootschappen

5. Tijdschriften en boeken

5.1. Internationale genootschappen

5.2. Internationale tijdschriften

5.3. Nederlandse tijdschriften

5.4. Noordhoff's verzameling van wiskundige werken

 !1. Wiskunde in Nederland

1.1. De universiteiten in de Noordelijke Nederlanden

Al aan het eind van de Middeleeuwen werd in de Lage Landen een eerste universiteit gesticht, namelijk die van Leuven (1425), die lang de centrale universiteit van deze streken zou blijven. Het voorbereidend onderwijs vond als vanouds plaats in de Latijnse scholen die in de verschillende steden gevestigd waren. In de zestiende eeuw deden de zogenaamde illustere scholen (Athenaeum Illustre) hun intrede, waar academisch onderwijs werd gegeven maar deze scholen hadden geen promotierecht. Zeer bekend waren bijvoorbeeld de illustere scholen uit Deventer en Amsterdam. Tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) werd in de Noordelijke Nederlanden een aantal universiteiten opgericht: Leiden (1575), Franeker (1585), Groningen (1614), Utrecht (1636) en Harderwijk (1648). Sommige van deze universiteiten waren uit illustere scholen ontstaan en sommige zouden na verloop van tijd weer illustere scholen worden.

Een belangrijk doel van deze instellingen was uiteraard de bescherming van het ware geloof. Daarnaast waren het voornamelijk de medicijnen, de rechten en de filosofie die het totale curriculum aanvulden. Zaken als sterrenkunde en wiskunde vormden een (vaak bescheiden) onderdeel deel van de filosofie. De jonge universiteiten waren kleinschalig, terwijl een behoorlijk deel van de studenten uit het buitenland kwam (niet gehinderd door taalbarrieres). Het bestuur van de hogescholen gebeurde op locaal niveau. Aangezien ook de financiering locaal werd geregeld waren er veelvuldig twisten (zowel van financiële als van theologische aard) die de bloei van de universiteit niet bevorderden, zowel in de zeventiende eeuw als in de achttiende eeuw. Door allerlei oorzaken liepen studentenaantallen behoorlijk terug in de achttiende eeuw, vooral in Franeker en Harderwijk, en in iets mindere mate in Groningen en Utrecht. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1588–1795) kende in deze tijd een economische terugval en er heerste armoede op zeer grote schaal. Tijdens de daaropvolgende politieke onrust kwamen patriotten (kezen) en orangisten kwamen lijnrecht tegenover elkaar te staan.

KEZEN en ORANGISTEN op de WEEGSCHAAL

De Bataafse Republiek, die in 1795 met steun van de patriotten werd uitgeroepen, zorgde voor ingrijpende politieke veranderingen. De republiek ging in 1806 uiteindelijk over in het Koninkrijk Holland onder Lodewijk Napoleon. De inlijving bij het Franse Keizerrijk kwam in 1810 tot stand en duurde tot 1813, toen het Franse leger van Napoleon Bonaparte werd verslagen bij Waterloo. De gebeurtenissen tussen 1795 en 1813 maakten dat allerlei eeuwenoude structuren veranderden en dat er een zekere centralisatie van het bestuur over de provincies gelegd werd. Of in die eenheidsstaat ruimte zou zijn voor meerdere universiteiten was zeer de vraag. In 1796 werd er in ieder geval al gesproken over één Nationale Universiteit (gevestigd te Leiden). Niet lang daarna, onder Frans bewind, sneuvelden de universiteiten van Harderwijk en Franeker, en ook die van Utrecht wankelde. En men keek met argusogen naar het bestaansrecht van de universiteit van Groningen (tussen 1812 en 1813 Keizerlijke Universiteit), ook toen na de Franse tijd het Koninkrijk der Nederlanden een aanvang nam. In de Zuidelijke Nederlanden werden in 1817 nieuwe rijksuniversiteiten opgericht, namelijk in Gent, Leuven (de oude universiteit was in 1797 opgeheven) en Luik, die tot 1831 deel uitmaakten van het Koninkrijk der Nederlanden.

In het Organiek Besluit van 1815 werd het onderwijs geregeld op een manier die goed aansloot bij het Nederland van na de Bataafse Republiek en de Franse overheersing, maar het werd al snel een anachronisme. Het Organiek Besluit voorzag in vijf faculteiten: Theologie, Rechten, Geneeskunde, Wis- en Natuurkunde, en Bespiegelende Wijsbegeerte en Letteren; verder was er een ruim geformuleerd studieprogramma. Maar het hoger onderwijs bleef gericht op het opleiden van mannen om een maatschappelijke betrekking te gaan vervullen. Voor het opleiden van wetenschappers was nauwelijks aandacht. Door de handhaving van Latijn als voertaal en door de hoge collegegelden bleef het hoger onderwijs voorbehouden aan de maatschappelijke elite. Uiteindelijk werd het hoger onderwijs (en ook het middelbaar onderwijs) eerst na decennia van onduidelijkheid geregeld in de wetten van 1863 en 1876.

ORGANIEK BESLUIT 1815

Onderwijsvernieuwingen. Na het midden van de negentiende eeuw kwamen enkele onderwijswetten tot stand die grote gevolgen zouden hebben. De wetgeving uit 1863, ingevoerd door Thorbecke, bracht, met name door de invoering van de Hoogere Burger School (hbs), een wezenlijke vernieuwing tot stand. De wet op het hoger onderwijs uit 1876, die ook aanleiding gaf tot de oprichting van de Universiteit van Amsterdam, ontstaan uit de illustere school in die plaats, zorgde voor meer financiële armslag; voor het kwetsbare Groningen betekende dit een meer stabiele situatie. Thorbecke's wetgeving zou immense gevolgen hebben, voor zowel de inrichting als voor de kwaliteit van het middelbaar onderwijs, en dientengevolge ook van het universitair onderwijs. Deze vernieuwing weerspiegelde zich ongetwijfeld in de toenemende kwaliteit van de universitaire wiskundigen, die veelal hun carrière begonnen als HBS-leraar. Ook ontstond er een vruchtbare wisselwerking van universitaire wiskundigen met het middelbaar onderwijs. Tot ver in de 20e eeuw zouden hoogleraren betrokken zijn als gecommitteerden bij de examens van hbs en gymnasium. De bloei van de exacte vakken aan de Nederlandse universiteiten rond de eeuwwisseling is rechtstreeks te herleiden tot het succes van de hbs.

Johan Rudolph Thorbecke 1798-1872

Tot aan het begin van de negentiende eeuw beoogde de universiteit een opleiding te verzorgen voor studenten die zich later in de maatschappij moesten kunnen bewegen. Het besef dat het onderwijs mee kon helpen om de nieuwe tijd het hoofd te bieden was wel aanwezig maar het duurde lang voordat actie werd ondernomen. Er waren wat pogingen in het begin van de negentiende eeuw die uiteindelijk resulteerden in de technische school in Delft en scholen voor landbouw en diergeneeskunde. Pas na de genoemde onderwijswetten kwam er een vernieuwing tot stand. Overigens heeft het nog zeer lang geduurd voordat het hoger onderwijs, zowel voor docenten als studenten, toegankelijk werd voor brede lagen van de bevolking. Pas aan het eind van de negentiende eeuw ziet men ook docenten en studenten aan de universiteit arriveren die niet meer tot de 'gegoede burgerij' behoorden. Bovendien werd het eerst in 1917 mogelijk om direct van de hbs naar de universiteit te gaan, zonder een aanvullend examen te hoeven afleggen.

De Universiteit van Franeker (ofwel Hogeschool van Franeker of Academie van Friesland) leidde vanaf haar vestiging in 1585 aanvankelijk een bloeiend bestaan vooral in de godgeleerdheid. Echter, na verloop van tijd raakte de hogeschool in verval en werd in 1811, onder het bewind van Napoleon, per decreet opgeheven. Na de Franse tijd werd in 1815, als compensatie nog een (Rijks-) Atheneum opgericht, maar dat werd in 1843, bij gebrek aan studenten, ook weer opgeheven. Vele bekende wiskundige namen zijn met Franeker geassocieerd geweest, waaronder Adriaan Adriaansz. Metius (1571-1635), René Descartes (1596-1650) en Jan Hendrik (Jean Henri) van Swinden (1746-1823). De patriot Eise Jeltes Eisinga (1744–1828), die een planetarium in zijn huis in Franeker bouwde, heeft daar nooit gestudeerd, maar is wel, op grond van zijn verdiensten, in 1797 tot curator van de hogeschool benoemd.

ACADEMIE van FRIESLAND

De Universiteit van Groningen (of Hogeschool van Stad en Lande) was bij het begin in 1614 zeer veelbelovend geweest, maar al na zo’n vijftig jaar was de situatie geheel anders. Oorlogsgeweld en de pest hadden de stad in hun greep. Aan de universiteit woedden theologische veldslagen en persoonlijke vetes; nieuwe professoren werden nauwelijks benoemd en het aantal studenten werd steeds geringer. In 1693 werd besloten dat het zo niet langer kon en poogde men grote namen uit het buitenland aan te trekken. Dit leidde onder andere tot de komst van Johann Bernoulli (1667-1748), die een moeilijke tijd tegemoetging en na een verblijf van tien jaar gedesillusioneerd vertrok. In de achttiende eeuw bleef de universiteit wel bestaan maar had zo zijn ups en downs. In het begin van de negentiende eeuw was het voortbestaan van de universiteit in gevaar en de dreiging van opheffing bleef er lang in de negentiende eeuw bestaan. Dit kwam mede doordat de stad Groningen geografisch geïsoleerd lag in het toenmalige Nederland; eerst in 1870 werd zij rechtstreeks (via Zwolle) per spoor bereikbaar. Ook de Groningse universiteit nam in Nederland een tamelijk geïsoleerde positie in: in vergelijking met de andere Nederlandse universiteiten waren de aantallen studenten en hoogleraren laag. Daarnaast was er altijd het gevaar dat grote namen ‘weggekocht’ zouden worden. De wetgeving van 1876 bracht uiteindelijk de broodnodige verbeteringen, waardoor bijvoorbeeld de benoemingen van bijvoorbeeld KJacobus Cornelius Kapteyn (1851-1922) en KPieter Hendrik Schoute (1846-1913) mogelijk werden.

UNIVERSITEIT van GRONINGEN

1.2. Wiskunde in de Gouden Eeuw

Vanaf de zeventiende eeuw zouden de wis-, natuur- en sterrenkunde een enorme ontwikkeling doormaken, mede door het ontstaan van de differentiaal- en integraalrekening later die eeuw. In de zestiende eeuw had men zich beziggehouden met het oplosssen van vierkantsvergelijkingen en van hogere graadsvergelijkingen, hetgeen leidde tot de invoering van complexe getallen. Ook de decimale ontwikkeling van sommige niet rationale getallen begon een dankbaar onderwerp te worden. De navigatiekunde en de opkomende cartografie maakten de goniometrie tot een belangrijk onderwerp. Logaritmetafels zouden pas in het begin van de zeventiende eeuw tot ontwikkeling komen. Op het gebied van de sterrenkunde waren het de grote namen Nicolaus Copernicus (1473-1543), Tycho Brahe (1546-1601), Galileo Galilei (1564-1642) en Johannes Kepler (1571-1630), die hun stempel op latere ontwikkelingen zouden drukken.

De zeventiende eeuw werd voor de wiskunde in de Noordelijke Nederlanden een Gouden Eeuw. Voor de vestingbouw tijdens de Tachtigjarige Oorlog was er een grote behoefte aan militaire ingenieurs en landmeters ontstaan, terwijl het groeiende aandeel van de Lage landen in de overzeese handel zeer stimulerend was voor de kartografie en de sterrenkunde. Bovendien heeft de toestroom van landgenoten uit de Zuidelijke Nederlanden, die in het laatste stuk van de zestiende eeuw plaatsvond, een grote rol gespeeld bij de opbloei van de wetenschappen en, uiteraard, ook van de kunsten. De Vlamingen Simon Stevin (1548-1620) en Nicolaus Mulerius (1564-1630) gingen in 1581, respectievelijk 1582, aan de net gestichte universiteit in Leiden studeren, waar de Nederlandse Rudolph Snellius van Royen (1546-1613) eerst lector en vanaf 1582 hoogleraar was. Mulerius zou later in 1617 als hoogleraar in Groningen een bewerking uitgeven van Copernicus' De Revolutionibus Orbium Coelistium onder de titel Astronomia instaurata. Bovengenoemde Snellius (die verder in dit verhaal geen rol speelt) had als studenten onder anderen Metius, die in Denemarken bij Brahe heeft gewerkt en, zoals gezegd, later professor in Franeker, Isaac Beeckman (1588-1637), later rector van de Latijnse school in Dordrecht, en zijn zoon, de bekende Willebrord Snellius (1580-1626). Nog in Leiden publiceerde Stevin over wis- en natuurkunde en was hij werkzaam als ingenieur. In 1593 werd hij privedocent van Maurits van Nassau (1567-1625) en door beider toedoen kwam in 1600 een Nederlandstalige ingenieursopleiding tot stand: de Nederduytsche Mathematicque, die geassocieerd was met de Leidse universiteit. Aan deze school waren verbonden o.a. Ludolf van Ceulen (1540-1610) en Frans van Schooten Sr. (1581-1648); ze werden aangesteld als lector en gaven les in het Nederlands, in plaats van het Latijn. [In 1932 illustreerde de Utrechtse lector Hermann Bernard Arnold Bockwinkel (1881-1960) in zijn Kollege Integraalrekening het begrip ”oneindig” aan de hand van het verschil tussen een hoogleraar en een lector. Nog in het derde kwart van de twintigste eeuw mochten lectoren vergaderingen van hoogleraren wel bijwonen, maar op hun aanwezigheid werd geen prijs meer gesteld als er serieuse zaken aan de orde kwamen.] Niet alleen in Leiden maar later ook op de andere universiteiten werd het mogelijk gemaakt om ingenieur te worden.

DE STERREKUNDIGE van VERMEER (1668) met METIUS' Institutiones Astronomicae Geographicae (TWEEDE EDITIE 1621).

Na zijn studie in Frankrijk verbleef de Fransman Descartes in 1618 in Breda bij het leger van Maurits waar hij bevriend raakte met Beeckman en Metius. Vanaf 1628 woonde Descartes gedurende 20 jaar in Nederland op vele plaatsen (bijvoorbeeld in 1629 in Franeker bij Metius). In deze tijd schreef hij zijn Geometrie (1637). Onder zijn vele vrienden telde hij Constantijn Huygens (1596-1687); beiden stonden in contact met de universele geleerde Marin Mersenne (1588-1648). Een van de zonen van de bovengenoemde Frans van Schooten had dezelfde naam Frans van Schooten Jr. (1615-1660) en ook deze Van Schooten gaf les aan de Leidse ingenieursschool. Onder zijn studenten treft men aan Johan de Witt (1625-1672), de latere raadspensionaris, Christiaan Huygens (1629–1695), zoon van Constantijn, en Johannes Hudde (1628-1704), de latere Amsterdamse burgemeester. Zowel De Witt als Hudde hebben grote bekendheid gekregen met hun wiskundige bijdragen voordat ze bestuursfuncties gingen uitoefenen. Christiaan Huygens studeerde tussen 1645 en 1647 in Leiden en tussen 1647 en 1649 bij John Pell (1611-1685) aan het in 1646 door Frederik Hendrik van Oranje (1584-1647) gestichte College van Oranje in Breda [deze school floreerde een aantal jaren mede door het verblijf in Breda van de latere Karel II]. Frans van Schooten vertaalde in 1649 La Geometrie van Descartes in het Latijn. In 1659 en 1661 verschenen de twee delen van een nieuwe versie van deze vertaling met bijdragen van meerdere leerlingen van Van Schooten; deze versie zorgde voor de grote bekendheid van dit werk, dat ook in handen kwam van Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) en Isaac Newton (1643-1727).

DESCARTES en zijn GEOMETRIA

Aan het eind van de eeuw waren de meeste van de boven beschreven wiskundigen overleden of niet meer werkzaam in de wiskunde. De teleurstelling van Bernoulli moet daarom groot geweest zijn toen hij in 1695 in Groningen arriveerde. Leibniz had hem er op attent gemaakt dat er vele wiskundigen in de Nederlanden zouden rondlopen. Maar Bernoulli trof geen wiskundige gesprekspartners aan, zelfs geen matige wiskundigen. Bij terugkeer in Basel zou hij zijn zoon Daniel (1700-1782) en Leonard Euler (1707-1783) onder zijn leerlingen tellen.

1.3. Wiskunde in de achttiende en de negentiende eeuw

Het zou veertien jaar duren voordat de plaats van Bernoulli in Groningen weer werd opgevuld. Met het vertrek van Bernoulli in 1705 heeft de wiskundige cultuur in Nederland lange tijd stilgestaan. De Groningse wiskundige Floris de Boer zei het in 1896 zo:

Nadat Nederland geruime tijd aan de spits der wiskundige beschaving had gemarcheerd, verliet het plotseling de gelederen geheel, en nam gedurende langer dan een eeuw zelfs geen plaats in de achterhoede meer in.

In vergelijking met landen als Duitsland en Frankrijk, met namen als Daniel Bernoulli, Euler, Émilie du Châtelet (1707-1749), ”een groot man wiens enige gebrek was dat ze een vrouw was" (Voltaire), Jean le Rond d’Alembert (1717–1783), Joseph-Louis Lagrange (1736–1813), Pierre-Simon de Laplace (1749–1827), Carl Friedrich Gauß (1777–1855) en Augustin-Louis Cauchy (1789–1857), kwam het Nederland van de achttiende en begin negentiende eeuw er op het gebied van de wis-, natuur- en sterrenkunde nogal bekaaid af, dit geheel in de geest van Potgieter. Een wis- of natuurkundige in het Nederland van de achttiende en een gedeelte van de negentiende eeuw was vaak in eerste instantie een geleerde en geen onderzoeker. In het oog lopende wetenschappers uit die tijd zijn voornamelijk de Leidse natuurkundige Willem Jacob ’s Gravesande (1688–1743), die Newton kende en diens werk propageerde zijn vriend en leerling de wis- en sterrenkundige Pieter van Musschenbroek (1692–1761), werkzaam in Duisburg, Utrecht en Leiden, en de wis- en natuurkundige Van Swinden, die zowel in Franeker als aan het Atheneum in Amsterdam doceerde. De laatste won in 1776 samen met Charles Augustin Coulomb (1736-1806) een prijsvraag over het magnetisch kompas. Het grotendeels ontbreken van grote namen in de achttiende eeuw betekende echter niet dat de wiskunde in de Noordelijke Nederlanden opgegeven was. In deze eeuw was de wiskunde grotendeels verbonden met ingenieursachtige toepassingen en werd vaak in het Nederlands onderwezen, ook aan niet-reguliere studenten, op diverse athenea, artilleriescholen en zee- vaartscholen; denk daarbij ook aan de Fundatie Renswoude. Tevens veranderde in de loop van de eeuw het onderwijs: er kwam een grotere nadruk op methodiek en bewijsvoering. In 1790 (met een tweede editie in 1816) verscheen een Nederlandse versie van een oorspronkelijk in het Latijn geschreven tekstboek van Van Swinden over meetkunde dat in 1834 nog in het Duits werd vertaald door Carl Friedrich Andreas Jacobi (1795-1855).

VAN SWINDEN's MEETKUNDE

Halverwege de achttiende eeuw kwamen vele burgerlijke genootschappen tot stand die tot doel hadden (een deel van) de mensheid te verheffen, zoals bijvoorbeeld rederijkers genootschappen. Daarom mag niet onvermeld blijven dat in 1784 het Genootschap van Kunsten en Wetenschappen Tot Nut van ’t Algemeen werd opgericht met als doelstelling de verheffing van de gewone man. Voor het huidige verhaal moeten genoemd worden de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen (Haarlem 1752), het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (Vlissingen 1769), het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte (Rotterdam 1769) en het Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (Utrecht 1773). Het eerste Nederlandse wetenschappelijke tijdschrift Uitgezogte Verhandelingen uit de Nieuwste Werken van de Societeiten der wetenschappen in Europa en van andere geleerde mannen werd in 1754 uitgebracht in Haarlem, door de Hollandse Maatschappij der Wetenschappen. Het Wiskundig Genootschap werd in 1778 opgericht met als zinspreuk ”Een onvermoeide arbeid komt alles te boven”. Ook uit 1778 stamt Teylers Museum in Haarlem, een ontmoetingsplaats voor kunst en wetenschap. Te Leeuwarden kwam in 1795 tot stand de 'Societeit tot beoeffening van de proefondervindelijke natuurkunde, later geheten Natuurkundig Genootschap te Leeuwarden. Iets later, in 1801, werd in Groningen het Natuur- en Scheikundig Gezelschap opgericht, dat over zou gaan in het Natuurkundig Genootschap te Groningen. Verderop worden deze genootschappen summier beschreven. Onder Koning Lodewijk Napoleon werd in 1808 het Koninklijk Instituut opgericht, dat in 1851 overging in de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KAW) en vanaf 1938 Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) heet.

Na de Bataafse Republiek en de Franse overheersing werd dus wel de inrichting van het onderwijs min of meer nationaal geregeld, maar voorlopig zou de situatie aan elke universiteit niet veel veranderen. Terwijl het aan sommige Duitse universiteiten al in de achttiende eeuw gebruikelijk was om colleges in de landstaal te geven, was dat hier nog lang niet het geval. Maar toch waren er mogelijkheden een eigen weg te kiezen: in Groningen beperkte Seerp Brouwer (1793-1857) zich ertoe alleen de openingszin van zijn colleges in het Latijn uit te spreken en de rest in het ”Hollands”. De curatoren gedoogden dit. De verplichting tot het gebruik van Latijn bij het onderwijs kwam pas in 1876 te vervallen. Het zou nog tot 1917 duren voordat de gymnasium-eis bij de toelating tot de universiteit formeel werd afgeschaft (bij medicijnen duurde dat nog langer). De wis-, natuur- en sterrenkunde in de Noordelijke Nederlanden heeft zich in de eerste helft van de negentiende eeuw nog niet tot grote hoogten kunnen ontwikkelen, maar daar zou spoedig verandering in komen. Er waren natuurlijk wel enkele geleerden die hun stempel drukten. De wiskundige Rehuel Lobatto (1797-1866), die in 1834, toen Seerp Brouwer nog hoogleraar was, een eredoctoraat in Groningen kreeg, was een student van Van Swinden aan het Atheneum in Amsterdam geweest. Lobatto’s Lessen over de Hoogere Algebra (1845) waren populair; later werden ze bewerkt en uitgegeven door Frederik Schuh (1875-1966).

LOBATTO's LESSEN

De natuurkundige Pieter Johannes Uylenbroek (1797-1844) had ook onderwijs van Van Swinden genoten. Als Leids hoogleraar telde hij onder zijn promovendi (de latere Groningse hoogleraar) Willem Adriaan Enschedé (1811-1899) en Petrus Leonardus Rijke (1812-1899). Rijke was promotor van Johannes Bosscha Jr. (1831-1911), (de latere Groningse hoogleraar) Herman Haga (1852-1936), Hendrik Lorentz (1853-1928) en Johannes Diederik van der Waals (1837-1923). De natuurkundige Richard (Rijk) van Rees (1797-1875) studeerde in Utrecht, was vanaf 1820 hoogleraar aan de in 1817 gestichte universiteit van Luik, en kwam na de afscheiding terug naar Utrecht. Onder zijn promovendi waren Christophorus Henricus Diedericus Buys Ballot (1817-1890), Cornelis Hubertus Carolus Grinwis (1831-1899), Florentius Goswin Groneman (1838-1929) (die een belangrijke rol in het Groningse Natuurkundig Genootschap zou spelen) en (de latere Groningse hoogleraar) Rudolf Adriaan Mees (1844-1886). Een enigszins aparte positie werd ingenomen door KGideon Jan Verdam (1802-1866), die de werktuigbouwkunde bedreef en daarover een, ook in het Duits vertaald, standaardwerk schreef. In Groningen was hij als lector, naast Sibrandus Elzoo Stratingh (1774-1846), betrokken bij het technisch onderwijs. Later werd hij hoogleraar wiskunde in Leiden; een van zijn promovendi was David Bierens de Haan (1822-1895).

Wat betreft de eerste helft van de negentiende eeuw moeten voor de Zuidelijke Nederlanden nog genoemd worden Lambert Adolphe Jacques Quetelet (1796-1874), één der leermeesters van Lobatto, Joseph Plateau (1801-1883), Pierre François Verhulst (1804-1849), en Eugène Charles Catalan (1814-1894), die ieder zeer bekend geworden zijn.

De komst van de Bataafse Republiek maakte het eindelijk mogelijk om op landelijk niveau bevolkingsgegevens te gaan verzamelen (later sprak men wel van politieke en sociale rekenkunde). Tot de afscheiding in 1830 zijn zowel Quetelet als Lobatto hierbij betrokken geweest; ze waren daarmee wegbereiders van de Nederlandse statistiek: ”de meest opregte vriendin van het menschdom”. Bij de in 1807 opgerichte Hollandsche Societeit van Levensverzekeringen was Lobatto vele jaren verbonden als wiskundig adviseur (Van Swinden had ook al interesse in deze zaken gehad). Het was in de tijd dat vele weduwen en wezenfondsen over de kop gingen door verkeerde berekeningen en Lobatto heeft getracht daarin verbetering aan te brengen. Na Lobatto hebben veel wiskundigen zich in de negentiende eeuw (en daarna) als adviseur met verzekeringswiskunde beziggehouden. Ondanks, of misschien wel, dankzij, hun praktijkgerichte rol zouden zowel de statistiek als de verzekeringswiskunde nog lange tijd geen academische discipline worden.

Na een zeer lange voorgeschiedenis kwam uiteindelijk een plan tot stand dat beoogde in het Koninkrijk der Nederlanden een technische opleiding te stichten, die geschoold zou zijn op de École Polytechnique in Parijs. Dit leidde in 1842 tot de Koninklijke Akademie ter opleiding van burgerlijke ingenieurs zoo voor ’s lands dienst als voor de nijverheid en van kweekelingen voor den handel die in Delft gevestigd was. Lobatto was er de hoogleraar wiskunde. Thorbecke’s onderwijswet uit 1863 reglementeerde ook de technische opleidingen. Zodoende werd in 1864 de Delftse Akademie opgeheven en kwam er een zogenaamde Polytechnische School voor in de plaats, die echter formeel geen deel uitmaakte van het hoger onderwijs. Vandaar dat de Polytechnische School toegankelijk werd voor een breder, op de hbs opgeleid, publiek (Latijn of gymnasium behoorden niet tot de toegangseisen). De Nederlandse wiskundigen Schoute, Jan Cornelis Kluyver (1860-1932) en Diederik Johannes Korteweg (1848-1941) waren alle drie begonnen als studenten aan de Polytechnische School in Delft. Ook Thomas Joannes Stieltjes (1856-1894), inmiddels naar Frankrijk vertrokken, had in Delft gestudeerd; hij werd voorgedragen voor een hoogleraarschap in Groningen maar werd door de minister afgewezen op formele gronden. Het zou nog tot 1905 duren voordat de naam veranderd werd in Technische Hogeschool en de opleiding als academische opleiding werd erkend. Daarmee had Simon Stevin’s menghen der spiegheling en daet een officieel kader gekregen. In 1958 werd door de universiteit van Groningen begonnen met de studierichtingen scheikundige technologie, technische natuurkunde en technische wiskunde; sinds 1971 werd aan deze richtingen de ingenieurstitel verbonden. Vierhonderd jaar nadat in het Groningen van 1617 de studenten Thomas van der Bargh en Jacob Slijp een landmetersdiploma in ontvangst namen werd de naam van de Groningse faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen veranderd in Faculty of Science and Engineering.

1.4. De opbloei aan het eind van de negentiende eeuw

De opbloei van de exacte wetenschappen in de Noordelijke Nederlanden nam een aanvang ergens in het derde kwartaal van de negentiende eeuw. Volgens Struik valt het begin van deze periode samen met de opleving van het geestelijk leven die het intreden van Nederland in de moderne industriele economie begeleidde. Er zijn verschillende factoren aan te wijzen voor de hernieuwde bloei van de Nederlandse wetenschappen. Een belangrijke factor wordt gevormd door de onderwijswetten van 1863 en 1876 die enerzijds de structuur van de universiteiten verbeterden, maar die anderzijds leidden tot de opkomst van de hogere burgerschool, de hbs. Dit laatste zorgde voor een toestroom van uitstekend opgeleide wetenschappers. Een andere factor van belang is dat door de verbeterde reismogelijkheden, bijvoorbeeld per spoor, nationale en internationale contacten vergemakkelijkt werden. De nieuwe onderwijswet van 1876 had gezorgd voor meer ondersteuning van de exacte vakken; daarnaast gingen de vakgebieden wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde hun eigen weg, weliswaar binnen de faculteit, maar er was sprake van een zekere verzelfstandiging bij elk onderdeel. In de natuurwetenschappen is de hernieuwde bloei met name af te lezen aan het grote aantal Nederlandse Nobelprijswinnaars uit die tijd, met name in Leiden en Amsterdam. Hier spreekt men wel van een tweede gouden eeuw.

Rond de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw was de wiskunde in Nederland op een internationaal peil gebracht. Er werd gepubliceerd in tijdschriften zowel in het buitenland (aanvankelijk mondjesmaat) als in het binnenland. In Nederland waren de meest gebruikte tijdschriften de Archives Néerlandaises van de Hollandsche Maatschappij, de Verhandelingen van de Nederlandse Akademie (die uiteindelijk vanaf de zeventiger jaren van de negentiende eeuw een meer fundamenteel karakter kregen) en de Verslagen van de gewone vergadering der Wis- en Natuurkundige Afdeeling van dezelfde Akademie (vanaf ca. 1890). Bovendien ging het vanaf 1875 verschijnende Nieuw Archief voor Wiskunde een rol spelen, dankzij Bierens de Haan. Deze wiskundige opbloei had veel te danken aan de inspanningen van Kluyver uit Leiden, Diederik Johannes Korteweg (1848-1941) uit Amsterdam en Schoute uit Groningen. Korteweg, Schoute en later ook Kluyver waren vele jaren als lid van de Akademie betrokken bij een groot aantal publicaties die door hun toedoen het licht zagen. Dit drietal was eveneens bij het Nieuw Archief voor Wiskunde van het Wiskundig Genootschap betrokken. Met name Schoute heeft internationaal een vooraanstaande rol gespeeld; vanaf de jaren tachtig bezocht hij veelvuldig de jaarlijkse conferenties van de Association Francaise pour l’Avancement des Sciences waar hij naast Fransen eveneens veel andere buitenlanders ontmoette. Ook was hij door zijn organisatorische inzet betrokken bij de totstandkoming van de Revue semestrielle des publications mathématiques. Dit was een in 1893 begonnen voorloper van de Mathematical Reviews, die opgezet was samen met Willem Kapteyn (1849–1927), Kluyver, Korteweg, Hendrik (Hk) de Vries (1867–1954) en (de wiskundige) Pieter Zeeman (1850–1915). Tenslotte moet vermeld worden dat de verzekeringswiskunde na Lobatto een plaats in de Nederlandse wiskunde ging innemen, denk bijvoorbeeld aan Corneille Louis Landré (1838-1895), die ook een belangrijke rol bij het Wiskundig Genootschap heeft gespeeld. In 1888 vond een bijeenkomst plaats van negen wiskundig adviseurs met als doel de oprichting van De Vereeniging van Wiskundige Adviseurs bij Nederlandsche Maatschappijen van Levensverzekering. Hieruit zou uiteindelijk het (Koninklijk) Actuarieel Genootschap ontstaan, los van het Wiskundig Genootschap.

De volgende generatie brengt de ontwikkelingen tot volle wasdom: denk bijvoorbeeld aan Luitzen Egbertus Jan Brouwer (1881-1966), Jan Arnoldus Schouten (1883-1971) en KJohannes Gualtherus van der Corput (1890-1975). Naast deze namen moeten zeker nog genoemd worden die van Jan de Vries (1858-1940), KJohan Antony Barrau (1873-1953) en KJulius Wolff (1882-1945). Daarnaast zijn te noemen de latere sterrenkundigen Kapteyn en KWillem de Sitter (1872-1934). En in de mathematische fysica valt te noemen KFrits Zernike (1888-1966), die in 1953 de Nobelprijs voor de Natuurkunde verwierf. Relevant was ook het verblijf in Utrecht van de Franse wiskundige Arnaud Denjoy (1884-1974) tussen 1917 en 1922. De beoefening van de wiskunde betrof bij uitstek de zuivere wiskunde, zonder veel oog voor de toepassingen, hoewel dat bij Korteweg anders had gelegen. Ondanks de opbloei bleef veel bij het oude, met slechts een beperkte groei die gelijke tred zou houden met de stijgende studentenaantallen. In 1917 werd er een commissie door het Wiskundig Genootschap ingesteld met als leden L.E.J. Brouwer, Kluyver, KLeonard Salomon Ornstein (1880-1941), J. de Vries en Wolff “ter overweging van de wenschelijkheid, het onderwijs aan de Nederlandsche universiteiten een uitbreiding te doen ondergaan.” Uiteindelijk leidde dit tot een personele verruiming met behulp van lectoraten voor de propedeutische wiskunde. De ontwikkelingen die in deze periode zijn begonnen, zijn voortgezet door een nieuwe generatie die de Nederlandse wiskunde een grote bekendheid bleef geven: Hendrik Jan Kloosterman (1900-1968), David van Dantzig (1900-1959) en KBartel Leendert van der Waerden (1903-1996). Deze bloeiperiode werd onderstreept door het International Congress of Mathematicians dat in 1954 gehouden werd in Amsterdam met het Wiskundig Genootschap als gastheer.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog heeft er in Nederland een bezinning plaatsgehad over de rol van de wiskunde aan de universiteit. Er kwamen uiteindelijk fundamentele veranderingen tot stand met leerstoelen voor toegepaste wiskunde en studierichtingen als wiskundig ingenieur. De invloed van onderzoeksinstituten buiten de universiteiten (denk aan KEMA, NLR, Philips, Shell, Staatsmijnen, TNO) is hieraan zeker debet geweest. Oorspronkelijk werd er met het op te richten Mathematisch Centrum in Amsterdam een concentratie van het wiskundig onderzoek beoogd die door allerlei omstandigheden niet tot stand is gekomen (wat resteerde was het Centrum voor Wiskunde en Informatica). Na de oorlog streefde het verzekeringswezen naar een eigen universitaire actuariaats-opleiding en dat resulteerde vanaf 1948 in een studierichting Actuariele Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Was in de dertiger jaren nog gestreefd naar een eigen plek binnen het Koninklijk Wiskundig Genootschap, nu zijn actuarissen als beroepsgroep verenigd in het Koninklijk Actuarieel Genootschap.

De universiteit heeft van oudsher een rol in de opleiding van leraren in het voortgezet onderwijs. Bij de wiskunde heeft de universiteit tot ver in de 20e eeuw wiskundeleraren afgeleverd, zowel met een doctoraalopleiding als met een MO-akte. Sinds de opkomst van de professionele lerarenopleidingen is de band tussen universiteit en toekomstig leraar helaas zeer verzwakt. Bovendien is het toekomstperspectief van de wiskundestudent sinds bovenstaande ontwikkelingen sterk veranderd; het onderwijs is niet meer het natuurlijke werkgebied van de afgestudeerde wiskundige.

Literatuur bij Hoofdstuk 1

  • R. Aerts, Thorbecke wil het. Biografie van een staatsman. Prometheus 2018
  • G. Alberts, Jaren van berekening. Toepassingsgerichte initiatieven in de Nederlandse wiskundebeoefening 1945-1960. Amsterdam University Press 1998
  • J. Bank en M. van Buuren, 1900. Hoogtij van burgerlijke cultuur. Sdu 2000
  • H. Baudet, De lange weg naar de Technische Universiteit Delft. Den Haag, Sdu, 2 delen, 1992-1993
  • C. Beenakker, Four Centuries of Physics Dissertations from Leiden University.
  • D.J. Beckers, Actuarial science, mathematics and statistics. The association of mathematical advisors for life insurance companies (1889- 1920)
  • F. Berends en D. van Delft, Lorentz, gevierd fysicus, geboren verzoener. Prometheus 2019
  • K. van Berkel, De Hollandsche Maatschappij, de ’Archives Néerlandaises’ en de Nederlandse natuurwetenschap rond 1870. In R. Aerts (Ed.), Geleerden en leken. De wereld van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen 1840-1880. Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen (2002) 59-81
  • K. van Berkel, Academische Illusies. De Groningse universiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel 1939-1950. Bert Bakker 2005
  • K. van Berkel, De Stem van de Wetenschap, Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen Deel 1. 1808-1914; Deel 2. 1914-2008. Bert Bakker 2008; 2011
  • K. van Berkel, Universiteit van het Noorden. vier eeuwen academisch leven in Groningen. Deel 1: De oude universiteit 1614-1876; Deel 2: De klassieke universiteit 1876-1945. Verloren 2014; 2017
  • K. van Berkel, Albert van Helden en L.C. Palm, The History of Science in the Netherlands: Survey, Themes and Reference. Brill 1999
  • Het Biografisch Portaal van Nederland
  • P.Th.F.M. Boekholt (red.), De onderwijsenquete van 1799. Paterswolde 2006
  • W.B.S. Boeles, Levenschetsen der Groninger Hoogleeraren. In: W.J.A. Jonckbloet, Gedenkboek der Hoogeschool te Groningen ter gelegenheid van haar vijfde halve eeuwfeest, Groningen 1864
  • W.B.S. Boeles, Frieslands Hoogeschool 1 (1878) Tresoar Leeuwarden
  • W.B.S. Boeles, Frieslands Hoogeschool 2-1 (1879) Tresoar Leeuwarden
  • W.B.S. Boeles, Frieslands Hoogeschool 2-2 (1889) Tresoar Leeuwarden
  • F. de Boer, De familie Bernoulli in de geschiedenis der wiskunde (rede bij de overdracht van het rectoraat 1896). Jaarboek der Rijksuniversiteit te Groningen, 1895-1896, Groningen, Wolters, 1896.
  • W. van Bunge, H. Krop, B. Leeuwenburgh, H. van Ruler, P. Schuurman en M. Wielema, Dictionary of seventeenth and eighteenth century Dutch philosophers I, II. Thoemmes Press 2003
  • J. Cardinaal, Mathematics. In: A general view of the Netherlands. Number XVI Science in the Netherlands; Pamphlet Panama Pacific International Exposition (PPIE) 1915, pp 79-81
  • Chapters in the recent history of mathematics. Special issue of Nieuw Archief voor Wiskunde on the occasion of the bicentennial celebration of the Wiskundig Genootschap (1978) vi + 230 pp. illus.
  • J.G. van der Corput, Overzicht Nederlandse wiskunde in eerste helft van de 20ste eeuw. In Dr K.E. Proost en Prof dr Jan Romein, Geestelijk Nederland 1920-1940 Deel II, De Wetenschappen van Natuur, Mens en Maatschappij. N.V. Uitg.-Mij Kosmos - Amsterdam - Antwerpen 1948
  • D. van Dalen, L.E.J. Brouwer, 1881-1966, een biografie: het heldere licht van de wiskunde. Bert Bakker 2001
  • D. van Dalen, L.E.J. Brouwer: Topologist, Intuitionist, Philospher: How Mathematics is Rooted in Life. Springer 2013
  • D. van Delft, Heike Kamerlingh Onnes. Een biografie: de man van het absolute nulpunt. Uitgeverij Bert Bakker 2005
  • G. van Dijk, Leidse hoogleraren Wiskunde 1575-1975 Universiteit Leiden 2011
  • G. van Dijk, Biografische Schetsen 1-8 KHMW Haarlem 2013-17
  • A.F.B. Dijkstra, Between academics and idiots. Cultural history of mathematics in the Dutch province of Friesland 1600-1700. PhD thesis Twente University 2012
  • A.F.B. Dijkstra De Hemelbouwer. Een biografie van Eise Eisinga. Noordboek 2021
  • A.F.B. Dijkstra, G. Jensma, D.H. van Netten en P. van Tuinen, Wiskunde als familiebedrijf: Menelaus Winsemius' lijkrede op Adriaan Metius (1571-1635). Rijksuniversiteit Groningen (E.H. Waterbolk-reeks; vol. [4]) 2011
  • Effigies et vitae professorum Academiae Groningae & Omlandiae (Groningen, 1654); repr. (1968)
  • W.A. Enschede, Johanne Bernoullio eximio mathematico. Rectorale rede te Groningen 1852
  • Ivor Grattan-Guinness, Companion Encyclopedia of the History and Philosophy of the Mathematical Sciences. Two volumes, Routledge London 1994
  • G.L. de Haas-Lorentz (ed.), H.A. Lorentz, impressions of his life and work. North-Holland Publishing Company Amsterdam 1957
  • M.C. van Hoorn, Gymnasia en hbs'en vóór de Tweede Wereldoorlog. Historisch Jaarboek Groningen (2007) 7-34
  • M.C. van Hoorn, Euclides en de hbs vóór de Tweede Wereldoorlog. Euclides 83(6)(7)(8) (2008) 286-290, 326-331, 366-371
  • J. Huizinga, Geschiedenis der Universiteit gedurende de derde eeuw van haar bestaan. In: Academia Groningana MDCXIV-MCMXIV Noordhoff 1914
  • A.H. Huussen jr. (red.), Onderwijs en onderzoek: studie en wetenschap aan de academie van Groningen in de 17e en 18e eeuw. Verloren 2003
  • J. Israel, The Dutch Republic. Its Rise, Greatness, and Fall 1477-1806. Clarendon Press 1998
  • H.D. Kloosterman, Wiskunde. In Natuurwetenschappelijk onderzoek in Nederland Amsterdam 1942 234-255
  • P.J. Knegtmans, Professoren van de stad: het Athenenæum Illustre en de Universiteit van Amsterdam, 1632-1960. Amsterdam University Press 2007
  • D.J. Korteweg, Het bloeitijdperk der wiskundige wetenschappen in Nederland. Redevoering uitgesproken op den jaardag der Amsterdamsche Universiteit den 8sten Januari 1894. Jaarboek van de Universiteit van Amsterdam. Bezorgd door J.P.~Hogendijk. (zie http://www.jphogendijk.nl/sources/korteweg.html)
  • A.J. Kox, Hendrik Antoon Lorentz, 'Een levend kunstwerk'. Balans 2019
  • A.J. Kox, De Nederlandse natuurkunde rond 1900. In: J. Guichelaar, G.B. Huitema en H. de Jong (red.), Zekerheden in waarnemingen - Natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland rond 1900. Verloren 2012
  • H.A. Krop, J.A. van Ruler en A.J. van der Jagt (red.), Zeer kundige professoren beoefening van de filosofie in Groningen van 1614 tot 1996. Verloren 1997
  • J.H.J. Krüger, De eerste inspecteurs van het middelbaar onderwijs 'Het toezicht zal vooral op hem aankomen, het zal zijn onverdeelde zorg vorderen'. Studium 10(3) (2018) 131-141
  • H. Kubbinga, The astronomical instruments (1618) and Catalogus librorum (1646) of Nicolaus Mulerius, with an essay on his place in the history of science. Groningen University Press 2014
  • C.L. Landré, Wiskundige hoofdstukken voor levensverzekering. Utrecht 1993 [Mathematisch-technische Capitel zur Lebensversicherung. Mit Verbesserungen und Zusätzen versehene Bearbeitung der holländischen Ausgabe. 1. Aufl. 1895, 2. Aufl. 1901, 3. Aufl. 1905, 4. Aufl. 1911 (verbessert und vermehrt von H.F. Landré)]
  • M.J. van Lieburg, De academische prijsvragen; Een inventarisatie en annotatie van de prijsvragen - uitgeschreven door de Nederlandse universiteiten 1815-1968. Erasmus Publishing 2007
  • Lijst studenten aan de Rijksuniversiteit Groningen 1877-1918 (uit de Jaarboeken)
  • H.W. Lintsen (ed.), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel V. Walburg Pers 1994
  • F. van Lunteren, "Van meten tot weten". De opkomst der experimentele fysica aan de Nederlandse universiteiten in de negentiende eeuw. Gewina 18 (1985) 102-138
  • J.A. van Maanen, Facets of Seventeenth Century Mathematics in The. Netherlands. Proefschrift Utrecht 1987
  • J.A. van Maanen, The Netherlands. In: I. Grattan Guinness (editor), Companion Encyclopedia of the History and Philosophy of the Mathematical Sciences. Vol.II. Routledge 1994
  • J.G.S.J. van Maarseveen, P.M.M. Klep en I.H. Stamhuis (eds.), The Statistical Mind in Modern Society. The Netherlands 1850-1940. 2 Vols. Aksant 2008
  • Mathematik In: Die Entwicklung der Naturwissenschaften in den Niederland während des letzten halben Jahrhunderts (1931) 50-58 S.C. van Doesburg
  • C.J. Matthes, ''Feestrede ter gelegenheid van het Honderdjarig Bestaan van het Wiskundig Genootschap. Amsterdam 1879
  • D. van Netten, Nicolaus Mulerius (1564-1630): Een geleerde uit Groningen in de discussies van zijn tijd. Barkhaus 2010
  • J.J. O’Connor en E.F. Robertson. MacTutor History of Mathematics Archive. St Andrews UK
  • K. van Ommen en H.J.M. Bos, De Bibliotheca mathematica van Bierens de Haan, Nieuw Archief voor Wiskunde 5/4 3 (2003) 243-251
  • W. Rekers en T. Koetsier, On the teaching of mechanical engineering in the Netherlands in the early nineteenth century: The work of G.J. Verdam (1802-1866). In: 12th Congress of the International Federation for the Theory of Mechanism and Machine Science, Besançon 2007 18-21 (2007) 1-6
  • F.R.H. Smit, Groninger Universiteitsfonds 1893-1993. Stichting Groninger Universiteitsfonds 1993
  • I.H. Stamhuis, The mathematician Rehuel Lobatto advocates life insurances in The Netherlands in the period 1830–1860. Annals of Science 45(6) 1988
  • D.J. Struik, Het land van Stevin en Huygens. Sunschrift 134 (derde en verbeterde druk) Nijmegen 1979
  • D.J. Struik, Geschiedenis van de Wiskunde. Aula 1990 [in 2008 opnieuw uitgegeven in de reeks vantoen.nu]
  • J.H. van Swinden, Beschrijving van het Eisinga-Planetarium te Franeker, 1780. Opnieuw uitgeven door Uitgeverij van Wijnen, Franeker, 1994 [hierin zijn tevens opgenomen W. Eekhoff, Het leven van Eisinga en eene geschiedenis van zijn PLANETARIUM 1851 en M.A.M. van Hoorn, Beschrijving van het Eisinga-Planetarium].
  • H. Terpstra, Friesche Sterrekonst – Geschiedenis van de Friese sterrenkunde en aanverwante wetenschappen door de eeuwen heen. T. Wever, Franeker, 1981
  • G.J. Verdam, Gronden der toegepaste werktuigkunst. I, II, III en IV. Groningen 1829–1837 [in het Duits vertaald door Christian Heinrich Schmidt in 1834–1838, Grundsätze der angewandten Werkzeugswissenschaft und Mechanik].
  • E. Visser (ed.), Universitas Groningana 1914-1964. Wolters 1964
  • B. Willink, De tweede Gouden Eeuw: Nederland en de Nobelprijzen voor natuurwetenschappen 1870-1940. BMGN - Low Countries Historical Review 114(3), 1998

2. Wiskunde in Groningen

2.1. Globale ontwikkelingen

Sinds de stichting van de Universiteit van Groningen (Hogeschool van Stad en Lande) in 1614 zijn hier wiskundigen geweest, soms met jarenlange onderbrekingen. De eerste docent in het vak wiskunde was Mulerius (hoogleraar tussen 1614 en 1630) en bijna een eeuw later was Bernoulli (hoogleraar tussen 1695 en 1705) degene die uiteindelijk het bekendst onder een breed publiek zou worden. Het zou tot het eind van de negentiende eeuw duren voordat Groningen weer een internationaal bekende wiskundige in huis zou hebben in de persoon van Schoute.

PAS-PORTRETTEN van MULERIUS, BERNOULLI en SCHOUTE

In de eerste eeuwen van de Groningse universiteit beoefenden wiskundigen ook andere vakken zoals medicijnen of welsprekendheid; en tot rond 1850 was er eigenlijk geen onderscheid tussen wis-, natuur- en sterrenkundigen. Na die tijd was er sprake van een zekere differentiering tussen de verschillende vakgebieden. De mathematische fysica, die door Mees in de negentiende eeuw als apart vak werd gedoceerd, kreeg in Groningen al vroeg een plaats kreeg binnen de natuurkunde. Echter, in het universitair onderwijs bleef de nauwe band tussen de drie disciplines wis-, natuur- en sterrenkunde voortbestaan tot in de jaren 1970. Sinds de jaren tachtig van de negentiende eeuw was de wiskunde in Groningen vertegenwoordigd door een hoogleraar meetkunde en een hoogleraar analyse en deze situatie bleef bestaan tot aan de zestiger jaren van de twintigste eeuw. Gedurende de Tweede Wereldoorlog had er in Nederland een bezinning plaatsgehad over de rol van de wiskunde aan de universiteit. Resultaat hiervan was een versterking van de toegepaste wiskunde aan alle universiteiten, ook in Groningen. Tussen de wereldoorlogen waren de studentenaantallen in Groningen gaan groeien en dat zette zich verhevigd voort na de tweede wereldoorlog. Met name onder de hoogleraar-directeur Johan Cornelis Hendrik Gerretsen (1907-1983) zag men daardoor na de oorlog een uitbreiding van de staf, ook in de richting van de toegepaste wiskunde.

J.C.H. GERRETSEN als DIRECTEUR van het MATHEMATISCH INSTITUUT

Onder druk van de stijgende studentenaantallen groeide het personeel om in het regulier onderwijs te kunnen voorzien. Ondertussen was direct na de oorlog. met de toegepaste wiskunde een eerste bescheiden begin gemaakt door een docentschap in de verzekeringswiskunde Pas aan het eind van de jaren vijftig en begin van de jaren zestig komt versterking door leerstoelen in de numerieke wiskunde, technische mechanica en de waarschijnlijkheidsrekening. Ook werd een aarzelend begin gemaakt met de systeemtheorie. Binnen de (technische) natuurwetenschappen maar ook binnen de biologie, farmacie en geneeskunde was een steeds grotere belangstelling ontstaan voor vakken als stromingsleer, numerieke wiskunde, waarschijnlijkheidsrekening, statistiek en systeem- en regeltechniek. Tegelijkertijd vond er een transitie plaats van wiskunde-onderzoek en -onderwijs, zowel binnen als buiten de faculteit. Dit betrof in het bijzonder vakken als actuariële wiskunde en economisch georienteerde vakken zoals statistiek en operations research.

In de vijftiger jaren was een begin gemaakt met grootschalig rekenen. Enige wetenschappers van de universiteit maakten aanvankelijk gebruik van een rekenmachine die toebehoorde aan Niemeyers Tabaksfabrikanten. Maar in 1958 werd een ZEBRA (Zeer Eenvoudig Binair Rekenapparaat) aangeschaft die bij het Mathematisch Instituut vertoefde (zie de beschrijving bij KGerretsen). Al in 1962 bleek de ZEBRA te klein en werd met groter rekentuig de basis gelegd voor een universitair Rekencentrum. Enige decennia later was de informatica in opkomst en nog later, in de 21e eeuw, ook de kunstmatige intelligentie, die met wiskunde een organisatorische eenheid zouden gaan vormen.

2.2. Tabellen met de hoofdrolspelers

Hieronder volgt in tabelvorm een overzicht van de hoofdrolspelers bij wiskunde of mathematische fysica. De eerste tabel bevat alle Groningse wis-, natuur- en sterrenkundigen van 1614 tot ca. 1900. Merk op dat er geen hoogleraar in deze vakken was tussen 1669 en 1695, en tussen 1705 en 1724, d.w.z. de perioden voor en na Bernoulli. Leg uit waarom KFrederik Adam Widder (1724-1784) en KAntonius Brugmans (1732-1789) overlappen. Toen Seerp Brouwer er genoeg van had en in 1835 terugging naar Leeuwarden werd hij opgevolgd door KJan Willem Ermerins (1798-1869), hoogleraar aan het Atheneum in Franeker. Op zijn beurt werd Ermerins daar opgevolgd door Enschedé. Toen in 1843 het Atheneum in Franeker werd opgeheven mochten de overblijvende hoogleraren kiezen waar ze naar toe wilden. Enschedé koos voor Groningen en werd daar tevens bibliothecaris (wat misschien voor de hand lag met zijn Haarlemse drukkers achtergrond). De komst van J.C. Kapteyn en KHendrik Jan Rink (1847-1883) en de latere opvolging van Enschedé door Schoute waren directe gevolgen van de wet uit 1876. Toen De Boer ziek werd werden zijn colleges waargenomen door KWillem de Sitter (1872-1934).

Lijst van wis-, natuur- en sterrenkundigen van 1614 tot ca. 1900

 aanstellingleeropdracht
N. Mulerius1614-1630geneeskunde, wiskunde
M. Pasor1629-1658zedekunde, wiskunde, theologie
Joh. Borgesius1646-1652wiskunde
J. Borgesius1653-1666wiskunde, welsprekendheid
J. Bertling1667-1669logica, wiskunde, wijsbegeerte
Joh. Bernoulli1694-1705wiskunde, wijsbegeerte
J.P. de Crosa1724-1726wijsbegeerte, wiskunde
N. Engelhard1728-1765wiskunde en (meta-) physica
A. Brugmans1767-1789wis- en sterrekunde, mechanica
F.A. Widder1767-1784wis-, natuur- en sterrekunde, theologie
J. Baart de la Faille1790-1823wis-, natuur- en sterrekunde,
S. Brouwer1823-1835wiskunde, fysica, chemie
J.W. Ermerins1835-1868wis-, natuur- en sterrekunde
W.A. Enschedé1843-1881wis-, natuur- en sterrekunde
R.A. Mees1868-1886wis-, natuur- en sterrekunde
H.J. Rink1877-1883meetkunde, analyse
J.C. Kapteyn1877-1921sterrekunde, waarschijnlijkheidsrekening
  en mechanica
P.H. Schoute1881-1913meetkunde
F. de Boer1884-1908algebra en analyse
W. de Sitter1900-1908sterrekunde

De veelbelovende Schuh werd in 1905 privaatdocent in Groningen (hij was daarnaast leraar in Sneek). Op het ogenblik dat de Polytechnische school in Delft zich Hogeschool mocht gaan noemen werd Schuh benoemd in Delft. Maar toen in 1908 De Boer overleed kwam Schuh terug en werd Barrau op zijn plaats in Delft benoemd. Nadat Schoute in 1913 was overleden werd deze vanuit Delft opgevolgd door Barrau. Het kwam als een zeer grote verrassing dat in 1916 Schuh toch weer koos voor Delft; dat luidde de komst van Wolff in. Tussen 1917 en 1922 verbleef de Denjoy in Utrecht om de jongste Franse ontwikkelingen op het gebied van de wiskunde naar Nederland te brengen. Zelfs vanuit Groningen kwamen toehoorders voor zijn colleges. Hij werd opgevolgd door Wolff uit Groningen, die het dichtst bij het werk van Denjoy stond. Wolff werd op zijn beurt in Groningen opgevolgd door Van der Corput (die assistent bij Denjoy was geweest). Bovendien werd KJacob Ridder (1894-1977), een van Denjoy’s promovendi, in 1931 aangesteld als lector in Groningen. In 1928, bij een volgende Utrechtse vacature, werd Van der Waerden te jong bevonden en zodoende vertrok Barrau naar Utrecht. Voor Groningen was Van der Waerden kennelijk oud genoeg. Echter, Van der Waerden bleef slechts korte tijd; in 1931 werd hij opvolger van Otto Hölder (1859-1937) in Leipzig (nadat Blaschke, Tietze, Artin en Radon een aanbod hadden afgeslagen).

Lijst van wiskundigen vanaf 1900

 aanstellingleeropdracht
Fred. Schuh1909-1916algebra en analyse
J.A. Barrau1913-1928meetkunde
J. Wolff1917-1922algebra en analyse
J.G. van der Corput1923-1946algebra en analyse
B.L. van der Waerden1928-1931elementaire wiskunde, meetkunde
O. Bottema1931-1935meetkunde
 1939-1941didactiek
G. Schaake1931-1945meetkunde
J. Ridder1931-1962analyse
J. Popken1937-1940reele en complexe analyse
C.S. Meijer1946-1972analyse
J.C.H. Gerretsen1941-1943didactiek
 1946-1972meetkunde
L.J. Smid1948-1971statistiek
A.I. van de Vooren1958-1984stromingsleer, numerieke wiskunde
J.A. Sparenberg1961-1990technische mechanica
W. Verdenius1961-1974analyse
A. van Heemert1962-1968meetkunde
A.J. Stam1963-1994kansrekening
J.Ch. Boland1969-1979topologie, grondslagen
M. Kuipers1971-1989technische mechanica
F. Takens1972-1999differentiaaltopologie, dynamische systemen
E.G.F. Thomas1973-2004functionaalanalyse
J.C. Willems1973-2003systeemtheorie
R.F. Curtain1977-2006systeemtheorie

De eerste mathematisch fysicus in Groningen was Mees, die van 1868 tot 1886 hoogleraar is geweest. Mees werd opgevolgd door Herman Haga (1852-1936), hoogleraar natuurkunde en meteorologie. De lijn in de mathematische fysica werd pas voortgezet met de komst van Haga’s promovendus KCornelis Harm Wind (1867-1911), die tussen 1895 en 1902 lector mathematische fysica en fysische chemie was. Zo begon een lijn mathematisch fysici die, na het uiteenvallen van de faculteit, niet langer bij de discipline wiskunde behoorden maar bij natuurkunde. Deze lijn zou tot na de tweede wereldoorlog aanhouden, met als belangrijkste vertegenwoordiger Zernike die tussen 1915 en 1958 lector respectievelijk hoogleraar is geweest in de theoretische mechanica en mathematische fysica.

Lijst van mathematisch fysici van 1895 tot ca. 1950

 aanstellingleeropdracht
C.H.Wind1895-1902fysische chemie en mathematische fysica
J.D. van der Waals jr.1903-1908mathematische fysica, hydrodynamica
  fysische chemie
L.S. Ornstein1909-1914wiskundige natuurkunde
F. Zernike1915-1958theoretische mechanica en mathematisch fysica
R. (de Laer) Kronig1931-1939mechanica en quantummechanica
H.C. Brinkman1934-1935atoomtheorie
H.J. Groenewold1936-1937mathematische fysica
 1951-1975theoretische natuurkunde
C.J. Bouwkamp1938-1939mechanica en quantummechanica
B. Kahn1939-1940mechanica en quantummechanica
B.R.A. Nijboer1940-1950 

Literatuur bij Hoofdstuk 2

  • D. Baneke, De Groningse eeuw van de natuurwetenschappen. Boekvorm Uitgevers 2005 [vertaald The Groningen Science Era. Boekvorm Uitgevers 2005]
  • K. van Berkel, Dijksterhuis. Een biografie. Bert Bakker 1998
  • K. van Berkel, Academische Illusies. De Groningse universiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel 1939-1950. Bert Bakker 2005
  • K. van Berkel, De onbekende Herman Haga, medeoprichter van de NNV. Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 77(8) (2011) 296-298
  • H.W. Broer en H.S.V. de Snoo, Wiskundigen in Groningen. Nieuw Archief voor Wiskunde 5 20 (2019) 277-279
  • H.W. Broer en H.S.V. de Snoo, De opkomst van de Groningse wis-, natuur- en sterrenkunde in de negentiende eeuw. Nieuw Archief voor Wiskunde 5 22 (2021) 47-58
  • H.W. Broer en H.S.V. de Snoo, De Groningse wiskunde in de eerste helft van de twintigste eeuw. In voorbereiding
  • H.W. Broer en H.S.V. de Snoo, De Groningse mathematische fysica in de eerste helft van de twintigste eeuw. In voorbereiding
  • H.W. Broer en H.S.V. de Snoo, De Groningse wiskunde in de vijftiger jaren. Ter gelegenheid van Boele Braaksma's 50 jarig jubileum als Gronings hoogleraar
  • H.G. Dehling en J.A. van Maanen, Kleine Groninger en grote wetenschapper. Nieuw Archief voor de Wiskunde 5/4 (2003) 254-257
  • A.F.B. Dijkstra, De Hemelbouwer: een biografie van Eise Eisinga. Gorredijk: Uitgeverij Noordboek 2021
  • G. Eisenreich, B.L. van der Waerdens Wirken von 1931 bis 1945 in Leipzig. In 100 Jahre Mathematisches Seminar der Karl-Marx-Universität Leipzig. VEB Deutscher Verlag der Wissenschaften, Berlin 1981
  • J. Guichelaar, Willem de Sitter, Einstein's friend and opponent. Springer 2018
  • P.C. van der Kruit, Jacobus Cornelius Kapteyn, Born Investigator of the Heavens. Springer 2014
  • H. Kubbinga, The Collected Papers of Frits Zernike (1888-1968). Four Volumes. Groningen University Press 2012-2016
  • J.A. van Maanen, Een complexe grootheid: leven en werk van Johann Bernoulli 1667 - 1748. Epsilon Uitgaven 34, 1995
  • G. Sierksma, Johann Bernoulli (1667-1748): His ten turbulent years in Groningen. Mathematical Intelligencer 14(4) (1992) 22-31
  • G. Sierksma, The mathematical sciences in Groningen before and after Bernoulli’s stay. Nieuw Archief voor Wiskunde 13(1) (1995) 37-48

3. Huisvesting

De geschiedenis van de universiteit in Groningen gaat terug tot de reformatie. Bij de oprichting werd de universiteit gehuisvest in gebouwen met een van oorspong religieus of semi-religieus karakter. Sinds de dertiende eeuw heeft er in de stad Groningen een klooster van de minderbroeders gestaan met een bijbehorende kerk, de zogenaamde Broerkerk. Tegenover dit complex was een begijnhof gevestigd, het zogenaamde Menoldis- en Sywenconvent, dat langere tijd had leeggestaan.

BROERKERK en BEGIJNHOF (volgens Braun en Hogenberg)

In 1614 bij de oprichting van de universiteit werd het begijnhof als academiegebouw in gebruik genomen. De universiteitsbibliotheek was vanaf 1615 gevestigd in een van de vleugels van het klooster; Nicolaus Mulerius (1564-1630) werd de eerste bibliothecarus. De Broerkerk ging dienst doen als academiekerk (waar in een bijgebouw zowel Mulerius als Bernoulli nog secties zouden verrichten).

ACADEMIEGEBOUW 1614-1846

Vanwege de slechte staat van het oude academiegebouw werd het in 1846 afgebroken. Aangezien de regering de Groningse universiteit wilde opheffen duurde het lange tijd, en pas nadat de stad het voortouw had genomen, voordat een nieuw gebouw verrees. Dit, in neo-classisistische stijl opgetrokken gebouw, werd in 1850 geopend. Op de bovenste verdieping bevond zich het Physisch Kabinet van KJan Willem Ermerins (1798-1869), die hiervoor jaarlijks een budget van 800 gulden kreeg.

ACADEMIEGEBOUW 1850-1906

Het tweede academiegebouw ging door brand in 1906 bijna geheel verloren. Op de fundamenten van het oude gebouw verrees, nu in Noord-Nederlandse Renaissancestijl, het derde academiegebouw. De snelle herbouw was mede te danken aan minister Pieter Rink (1851-1941) (een broer van de later te behandelen, jong overleden, Groningse wiskundehoogleraar Hendrik Jan Rink). De door de wiskundige Schoute bijeengebrachte verzameling meetkundige modellen was bij de brand verloren gegaan, maar zou spoedig weer aangevuld worden.

ACADEMIEGEBOUW 1909

In de loop der tijd was het gebouwenbestand van de universiteit uitgebreid; denk aan het in 1851 gestichte academisch ziekenhuis en het in 1866 gebouwde Fysiologisch laboratorium (schuin achter het Academiegebouw). Door de wet op het hoger onderwijs uit 1876 kreeg de universiteit wat meer financiële armslag, hetgeen resulteerde in verschillende bouwactiviteiten. Rond de eeuwwisseling was dit duidelijk zichtbaar: overal in de stad verrezen gebouwen voor de verschillende faculteiten. Voor het huidige verhaal is van belang het in 1892 tot stand gekomen Natuurkundig Laboratorium op de hoek van de Westersingel en de Kraneweg.

Natuurkundig Laboratorium 1892

Een eigen huisvesting van de wiskundigen en hun studenten is zeer lang niet nodig geweest. De colleges voor de (weinige) studenten werden vanaf het begin in 1614 aan huis of in het toenmalige Academiegebouw gegeven. Voor de gebruikelijke zaken als vergaderingen en examens kwam men in het Academiegebouw tesamen. De Faculteitskamer in het huidige Academiegebouw, Broerstraat 5, herinnert nog aan deze situatie. De oude Faculteit Wis en Natuurkunde heet inmiddels Faculty of Science and Engineering. O tempora o mores.

Faculteitskamer Wis- en Natuurkunde in het Academiegebouw

Binnenstad. Pas in 1919 kwam er voor wiskunde en mathematische fysica een studiezaal in het Sterrenkundig Laboratorium, later Kapteyn Laboratorium; op deze locatie was tussen 1866 en 1913 het Fysiologisch laboratorium gevestigd. Dit was gelegen vlak achter het Academiegebouw en is in de jaren 1980 afgebrand. Voor de aankleding van de ''ten behoeve van een voor de studenten in de wiskunde en de wiskundige natuurkunde in te richten studiezaal'' werd f 300 gevraagd aan het Groningse Universiteitsfonds door de later te behandelen Barrau, Wolff en Zernike. Bij de overdracht van het rectoraat op 18 September 1939 kwam Zernike terug op de oprichting van deze leeszaal.

Kapteyn Laboratorium

In de latere jaren dertig werd de Mathematische Leeszaal verplaatst naar de Oude Boteringestraat 6, waar een paar kamers betrokken werden bij het Biologisch-Archeologisch Instituut. In Jaarboek 1939 staat te lezen: "Mathematische leeszalen, Oude Boteringestraat 6. Hoogleeraren in de wiskunde, Directeuren." Direct na de oorlog was het toen vers-opgerichte Mathematisch Instituut gehuisvest in enige kamers van het Archeologisch Instituut aan de Oude Boteringestraat 6. In een van deze kamers zetelde de later te behandelen Hoogleraar-Directeur Gerretsen; ook bevond zich daar de verzameling van meetkundige modellen. De andere kamers waren voor de huisvesting van de wiskundige bibliotheek en daar kon men ook assistenten, zoals Sikkema en De Boer, aantreffen. De colleges werden gegeven op de eerste verdieping van het nabijgelegen Academiegebouw.

Mathematisch Instituut Oude Boteringestraat 6

Door de toenemende studentenaantallen werd vanaf het eind van de jaren 1950 de staf van het Mathematisch Instituut navenant vergroot. De uitbreiding had betrekking op het reguliere wiskunde onderwijs maar ook op de voorgenomen groei van de toegepaste wiskunde. In 1958 verhuisde het Mathematisch Instituut naar de Reitdiepskade 4, waar een collegezaal voor 30 personen was ingericht. De grotere colleges vonden nog steeds plaats in het Academiegebouw. Toen de studentenaantallen verder groeiden werd ook op verschillende andere universitaire vestigingen college en werkcollege gegeven, zoals in het Anatomisch-Embryologisch laboratorium van het Academisch Ziekenhuis aan de Oostersingel, of in localen van de Rijks HBS aan de Grote Kruisstraat. Later werd ook nog (een gedeelte van) Reitdiepskade 3a betrokken. Voor studenten werd een leeszaal ingericht op de hoek Reitdiepskade-Westersingel. Verder werd ruimte betrokken in het pand Kraneweg 2a-2b, waaronder een collegezaal. De natuurkunde colleges vonden meestal plaats in het Natuurkundig Laboratorium, op de hoek Westersingel - Kraneweg. Veel van deze gebouwen hebben later een andere bestemming gekregen of zijn afgebroken.

Reitdiepskade 3a-4

Grootschalig rekenen. De in 1958 aangeschafte ZEBRA (Zeer Eenvoudig Binair Rekenapparaat) werd geinstalleerd in de kelders van het Mathematisch Instituut aan de Reitdiepskade. Op 12 maart 1959 werd deze machine officieel in gebruik genomen (zie de beschrijving bij KGerretsen). In 1962 werd reeds nieuwe apparatuur aangeschaft die gehuisvest werd in het nieuw opgerichte Rekencentrum aan de Grote Appelstraat. Later werd het Rekencentrum, nu geheten Donald Smits Centrum voor Informatie Technologie, naast de Hoogbouw WSN, inmiddels Duisenberg Building, gevestigd. Uiteindelijk vond het een plaats in de vijver als Smitsborg.

De Smitsborg met daarvoor een impressie van Bernoulli's brachistochroon in de vijver van het Zernike-complex. Beeldhouwer Henk Ovink.

Paddepoel. Eind April 1970 verhuisde vrijwel de gehele faculteit naar Paddepoel (nu spreekt men van het Zernike Complex). Het Mathematisch Instituut betrok samen met Sterrenkunde en (Theoretische) Natuurkunde het WSN gebouw, zoals gezegd tegenwoordig Duisenberg Building geheten. Hier was een ruime voorraad aan grotere en kleinere collegezalen aanwezig; tevens was er voor deze eenheden een bibliotheek gevestigd. Ook werd in de hiervoor beschikbare ruimte een begin gemaakt met de opstelling van demonstratie-apparatuur voor de Technische Mechanica. In de loop van de tijd ontstond in deze tijd Informatica als eenheid. Al spoedig trok ook de Faculteit Economische Wetenschappen het dit gebouw binnen met als gevolg dat uiteindelijk alle oorspronkelijke bewoners uit het gebouw zouden verdwijnen.

WSN gebouw, inmiddels Duisenberg building

Op 1 September 1991 verhuisden Wiskunde en Informatica naar een nieuw gebouw, nu Mercator Building geheten, met adres Blauwborgje 3. Het Mathematisch Instituut ging toen over in het Instituut voor Wiskunde en Informatica. In dit gebouw was voldoende ruimte voor (computer) practica. Om aan de groeiende vraag naar ruimte te voldoen werd nu ook een deel van het gebouw op het adres Blauwborgje 10 betrokken.

Mercator building

Het Instituut voor Wiskunde en Informatica ging op 1 September 2007 over naar het gebouw aan Nijenborgh 9, dat later Bernoulliborg gedoopt zou worden. Het instituut heette sinds 2009 Johann Bernoulli Institute for Mathematics and Computer Science. In diezelfde Bernoulliborg was ook het Instituut voor Kunstmatige Intelligentie gevestigd. Sinds 1 Juni 2018 zijn beide instituten samengevoegd tot het Bernoulli Institute for Mathematics, Computer Science and Artificial Intelligence.

Vader en zoon Bernoulli in papier maché en plaquette voor de zoon

Bovenstaande naamgeving is gewijd aan de Bernoulli familie van wis- en natuurkundigen, waarvan Johann en zijn zoon Daniel (1700-1782) een sterke connectie met Groningen hadden. Johann heeft van 1695 tot 1705 aan de Hogeschool van Groningen gewerkt en Daniel is hier geboren. Een gevelsteen aan de Openbare Bibliotheek, waar zijn geboortehuis heeft gestaan, aan de Oude Boteringestraat 18 herinnert aan dit laatste.

Bernoulliborg

Literatuur bij Hoofdstuk 3

  • Jaarboek der Rijkuniversiteit te Groningen 1938-1939. Wolters 1939

4. Wiskundig georiënteerde genootschappen

Een aantal genootschappen en instituties, in Groningen of daarbuiten gevestigd, is van belang (geweest) voor de natuurwetenschappelijke cultuur in Groningen. Hier worden enkele van deze genootschappen besproken.

4.1. Het (Koninklijk) Natuurkundig Genootschap te Groningen

Het Natuurkundig Genootschap ((K)NG) in Groningen is opgericht in 1801 onder de naam Natuur- en Scheikundig Gezelschap, door een groep studenten onder leiding van de de latere hoogleraar natuurlijke historie, Theodorus van Swinderen (1784-1851) en, onder anderen, de latere hoogleraar scheikunde en uitvinder, Sibrandus Stratingh (1785-1841). De oorspronkelijke groep, waaronder vijf rechtenstudenten en één medische student, was onder meer geinspireerd door de colleges en demonstraties van de hoogleraar wiskunde KJacob Baart de la Faille (1757-1823) en op diens aandringen. Zijn gelijknamige zoon Jacob Baart de la Faille II (1795-1867) zou als als medicus actief lid zijn. Vanaf 1810 was de naam Natuur- en Scheikundig Genootschap, dat sinds 1862 Natuurkundig Genootschap heet. In feite was het uiteindelijke Natuurkundig Genootschap een fusie met een of meer later opgerichte genootschappen. De activiteiten van het Genootschap bestonden uit het organiseren van voordrachten, zowel door de leden als door genodigden, en het demonstreren van proeven. Dit is tot op de dag van vandaag grotendeels zo gebleven.

Van Swinderen speelt in de beginjaren een centrale rol als voorzitter van het Genootschap. De eerste jaren vonden de bijeenkomsten van het Genootschap bij hem thuis plaats. Toen het Genootschap in aantal groeide - in 1810, het jaar van de Franse inlijving telde het reeds 200 leden - werd een belangrijke vraag waar binnen de Groninger stadswallen een geschikte gelegenheid was om al de proeven en demonstraties uit te voeren. Na enige omzwervingen vond Van Swinderen in 1832 hiervoor het Concerthuis in de Poelestraat, dat in 1840 door hem werd gekocht. Dit was een definitief onderkomen, waarin het nodige moest worden aangepast. Zowel studenten als burgers hadden belangstelling voor experimenten. In 1851 werd het vijftigjarig bestaan van het Genootschap gevierd, waarbij Van Swinderen de slotrede uitsprak, het was het laatste openbaar optreden in zijn leven. De historicus Huizinga sprak later over Van Swinderen als over “Dorus het wonderkind”. Vanaf 1976 voert het genootschap het predicaat ‘koninklijk'.

Ook de Groningse wiskundigen Ermerins, Enschedé en Mees speelden een rol in het Genootschap, net als Arnold Willem Alings (1822-1895), schoonzoon van Ermerins, die bij Enschedé gepromoveerd is. Zo was Ermerins enige tijd bestuurder en sprak Enschedé een feestrede uit ter gelegenheid van het vijfenzeventig jarig bestaan van het genootschap in 1876. Het toenmalig bestuur bestond uit de medicus dr Jacob Baart de la Faille III (1822-1895) en dr Willem Gleuns (1808-1881), in 1837 gepromoveerd bij Ermerins. Willem Gleuns sprak bij deze herdenking een lofdicht uit; zijn zoon Jan Sixtus Gerhardus Gleuns (1850-1941) is in 1878 gepromoveerd bij Mees.

Willem Gleuns en Hendrik Deutgen (1816-1872) beheerden het instrumentarium en bereidden proeven voor, ook bij de colleges. Deutgen was echter ook amanuensis in het Physisch Kabinet van Ermerins en later van Mees, gevestigd in de bovenste verdieping van het Academiegebouw, en van het laboratorium van Stratingh. Gleuns was bovendien actief als leraar en als popularisator. Deutgen deed aan meteorologische waarnemingen, evenals Enschedé. Tot het instrumentarium dat Gleuns en Deutgen ontwikkelden, hoort ook het mundomotorium.

Opmerkelijke (bestuurs-) leden waren, behalve mensen als de wis- en sterrenkundige Kapteyn en de mathematisch fysicus Zernike, ook onder anderen de landhuishoudkundigen Jacobus Albertus Uilkens (1772-1825) en diens opvolger Hans Christiaan van Hall (1801-1874) en Gerardus Heymans (1857-1930), hoogleraar geschiedenis der wijsbegeerte, logica, metafysica en zielkunde.

De eerste helft van de 19e eeuw was een bloeiperiode van het Genootschap, waarna een zekere dip in het ledenaantal optrad. Rond 1900 was er een nieuwe bloeiperiode. Het Genootschap gaf een verbinding tussen de universiteit en het middelbaar onderwijs, met name de in 1864 opgerichte Rijks-HBS te Groningen. Voorbeelden van deze verbinding zijn de natuurkundeleraar en langjarige directeur van de Rijks-hbs te Groningen, Groneman, de wiskundeleraar, wetenschapper en dichter Obe Postma (1868-1963) en de wis- en sterrenkundigen Kapteyn en De Sitter. Groneman werd wegens zijn verdiensten erevoorzitter van het Genootschap.

TIJD voor DOLLE MINA's ?

Het Natuurkundig Genootschap te Leeuwarden. Het Natuurkundig Genootschap in Groningen kende ook een zustervereniging in Leeuwarden: reeds in 1795 werd in Leeuwarden opgericht de Societeit tot beoeffening van de proefondervindelijke natuurkunde. In het reglement kan men lezen: "Niemand wordt lid, als een der leden verklaart, dat dit hem onaangenaam zou zijn". Dus de opzet was een andere dan bij de zustervereniging in Groningen. Later in 1804 werd de naam Natuurkundig Gezelschap te Leeuwarden; vanaf 1840 heet het Natuurkundig Genootschap te Leeuwarden. De hoofdzaak was het regelmatig houden van lezingen. Maar in 1833 was er eveneens een bezoek aan het Atheneum in Franeker per trekschuit. Ook met Groningen bestonden hartelijke connecties; in 1833 werd naast Ermerins (Franeker) ook Seerp Brouwer (Groningen) tot erelid benoemd; later zou Enschedé (Groningen) nog erelid worden. Na zijn terugkeer (in 1834) naar Leeuwarden was Seerp Brouwer voorzitter tussen 1838 en 1846. Bij de sluiting van het Atheneum in Franeker in 1843 kwamen enkele instrumenten in het bezit van het Natuurkundig Genootschap, waaronder een sextant uit 1607 door Willem Jansz. Blaeu (1571-1638; sextant reeds jaren zoek) voor Metius vervaardigd, en een door de stadhouder bij het tweede eeuwfeest in 1785 geschonken planetarium (het laatste instrument is in 1910 in bruikleen aan het Friesch Museum gegeven).

PLANETARIUM

In 1879 komt men als secretaris van het genootschap tegen de medicus Jacob Baart de la Faille (1839-1918), gerelateerd aan zijn Groningse naamgenoten I, II en III die allen betrokken waren geweest bij het Natuurkundig Genootschap in Groningen. Na een periode van verminderde belangstelling bleek het gezelschap weer springlevend te zijn in het begin van de 20ste eeuw. In die tijd was Willem Anthonie Poort (1868-1940) (in 1896 bij De Boer gepromoveerd; vanaf 1902 werkzaam in het verzekeringswezen) vele jaren bestuurslid. Een graag geziene en gehoorde spreker in die jaren was Wind, de bij Haga gepromoveerde mathematisch fysicus, die eerst lector in Groningen was, toen directeur van het KNMI werd, om later hoogleraar in Utrecht te worden.

AANKONDIGING

De laatste voorzitter was Hendrik Ferwerda (1907-1991; in 1934 bij Van der Corput gepromoveerd). In December 1970 werd het toen 175-jarige genootschap formeel opgeheven, na een lange tijd van verval door gebrek aan belangstelling. Elders in Friesland (Sneek, Drachten, Workum en St. Anna Parochie) hebben soortgelijke genootschappen bestaan.

4.2. Het Gronings wiskundig dispuut $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$

KKKK's toevoegen

(auteur: M.C. van Hoorn) Op 27 september 1933 werd het wiskundig dispuut $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ opgericht. Dit gebeurde ten huize van dr. H.C. (Coen) Brinkman (zie foto), wonend aan de Grote Markt te Groningen. De eerste leden waren, naast Brinkman: W. (Wibbe) Verdenius (praeses) B.R.A. (Ben) Nijboer (ab-actis), T. Tol, W.H. Takens, G. Krooshof en P.H.E. Tattje. De naam betekent “Weten wij wel wat?” Coen Brinkman (1908-1961) vervulde de rol van geestelijk leider. Hij was in tegenstelling tot de anderen al gepromoveerd. Brinkman was assistent (medewerker); later werd hij privaat-docent te Groningen en hoogleraar in Bandung. De andere leden studeerden nog. Na het vertrek van Brinkman in 1935 werd de nieuwe geestelijk leider H.J. "Hip" Groenewold (1910–1996). Nijboer (1915-1999) en Verdenius (1913-1988) waren in 1933 tweedejaars student. Nijboer bleef met enige onderbrekingen vele jaren lid van het dispuut. Gedurende het studiejaar 1935-1936 was hij praeses. Brinkman was gepromoveerd bij H.A. Kramers, Verdenius promoveerde later bij Van der Corput en Nijboer bij Zernike. Nog later werkte Nijboer als hoogleraar theoretische natuurkunde te Utrecht. Verdenius werkte als medewerker in Delft en aan de KMA te Breda; nog later werd hij lector propedeutische wiskunde te Groningen. Groenewold promoveerde bij L. Rosenfeld en werd later hoogleraar theoretische natuurkunde in Groningen.

Uit het Jaarboekje van de GNFV 1936

Gang van zaken. In principe vergaderde het dispuut wekelijks, en wel ten huize van één van de leden. De gastheer – dames waren nog niet in beeld – verzorgde de inleiding. Daartoe was een schoolbord in bruikleen verkregen van de hoogleraar natuurkunde D. Coster (1889-1950), dat vele jaren dienst heeft gedaan. Deze gang van zaken maakt duidelijk dat het dispuut en de wis- en natuurkundigen aan de universiteit zich nauw met elkaar verbonden achtten. De afdelingen wiskunde en natuurkunde waren klein van omvang en daardoor overzichtelijk. Zowel studenten wiskunde als studenten natuurkunde traden toe als lid van het dispuut. $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ bleef een wiskundig dispuut, en daarom werden vrijwel steeds wiskundige onderwerpen gekozen. Al gauw ontstond de gewoonte een boek te gebruiken als leidraad voor de voordrachten. Soms werd met een hoogleraar overlegd over te kiezen boeken of onderwerpen, onder andere met de wiskundehoogleraar J.G. van der Corput in 1935. Interessant is ook dat soms een wiskundige van elders, die tijdelijk assistent was bij een hoogleraar, een vergadering van het dispuut bijwoonde. Zo nam Kurt Mahler, die later befaamd werd als getaltheoreticus, in 1935 deel aan een vergadering van $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ . Het dispuutslid C.J. Bouwkamp was, net als N.R.A. Nijboer bij F. Zernike gepromoveerd. Blijkens de notulenboeken was er ook tijd voor ontspanning. Begin 1938 werd het nieuwe spel Monopoly uitgeprobeerd; dit spel was meegenomen door het toenmalige lid J. (Han) de Groot. De Groot, die bij G. Schaake zou promoveren, werd later hoogleraar wiskunde (topologie) te Amsterdam en was de promotor van onder meer de latere lector J.Ch. Boland. Andersoortige ontspanning werd beleefd tijdens de zomervergaderingen, die jarenlang in ere bleven.

Met de klok mee: Hip Groenewold, Wibbe Verdenius, Pieter Tattje, Ben Nijboer, Chris Bouwkamp, Wouter Balk, Gerrit Kingma en Willem Takens in 1935-36

De oorlog. De periode van de Tweede Wereldoorlog bracht veel onzekerheid. Opvallend is dat binnen de vertrouwde kring van het dispuut openlijk werd gesproken over de bezetting. Eveneens valt juist in deze tijd op dat de leden een geheel verschillende achtergrond konden hebben. Dit was nooit een onderwerp van discussie geweest en dat werd het ook nu niet. Van enkele leden bleek iets van hun levensovertuiging door de persoonlijke keuzes die zij maakten. Eén van de oud-leden maakte direct in mei 1940 een eind aan zijn leven, één van de zittende leden werd opgepakt wegens illegale activiteiten en kwam om in een concentratiekamp. Een ander lid werd opgepakt wegens (andersoortige) illegale activiteiten, maar overleefde een verblijf in Duitsland.

Gevelstenen uit 1954 en 1984

Tenslotte. Het wiskundig dispuut $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ bestaat nog steeds. Weliswaar zijn sommige gewoonten veranderd, maar nog altijd worden regelmatig voordrachten gehouden, vaak aan de hand van boeken. Het aantal mensen dat vanaf 1933 kortere of langere tijd lid is geweest is al ongeveer 150 (naar gegevens uit 2021). Veel oud-leden denken met vreugde terug aan de geneugten van het lidmaatschap van ”W4?”. Vaak wordt dan als belangrijkste genoemd de intensieve kennismaking met zovele aspecten van het vak wiskunde. Maar uiteraard is de open sfeer ook altijd belangrijk geweest.

Niet iedereen die ooit toetrad als lid van $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ deelde gelijkelijk in de vreugde. Sommigen haakten af en sloegen een andere weg in. Voor anderen echter werd de beoefening van de wiskunde hun werk: zij kregen een positie aan een universiteit, aan een middelbare school, of in de industrie. Meerdere oud-leden verwierven bekendheid door hun wiskundig werk. In 1954 vond onder aanzienlijke belangstelling van oud-leden de 500ste vergadering plaats, bij welke gelegenheid een gedenksteen werd aangebracht aan de buitenmuur van het Natuurkundig Laboratorium aan de Westersingel en werd Nijboer benoemd tot erelid. In 1984 werd, eveneens onder grote belangstelling van oud-leden, nabij de eerste gedenksteen een tweede aangebracht ter gelegenheid van de 1000ste vergadering. Bij deze gelegenheid werd Verdenius tot erelid benoemd. Momenteel wordt gewerkt aan een publicatie over de geschiedenis van het wiskundig dispuut $\ll\! {\rm W}^4? \! \gg$ . De bedoeling is een overzicht toe te voegen van (de meeste) boeken die doorgenomen zijn. Ook zal een namenlijst worden toegevoegd, zodat een ieder kan zien wie de gelukkigen waren die ooit lid mochten zijn van het dispuut.

4.3. Het Genootschap "Johann Bernoulli"

Het Genootschap ”Johann Bernoulli” werd opgericht op 22 October 1960 in Groningen, met als eerste voorzitter en secretaris Adriaan Isak van de Vooren (1919-2007) en Wibbe Verdenius (1913-1988). Het doel was de beoefening van de wiskunde in de provincies Groningen, Friesland en Drente te bevorderen. Eerder, voor de oprichting, had men gedacht dit doel te kunnen verwezenlijken door de vorming van een afdeling Noord van het landelijk georganiseerde Wiskundig Genootschap. Uiteindelijk kwam het tot een zelfstandig genootschap.

Van de Vooren en Verdenius

Elk jaar werd een aantal wiskundige lezingen, ook van didactische aard, gehouden door sprekers zowel uit Groningen als uit den lande. Bovendien werden soms cursussen georganiseerd (in samenhang met het Mathematisch Centrum). De plaats van samenkomst was vaak de vergaderzaal aan de Reitdiepskade. Het genootschap is bijna tien volledige jaren actief geweest. Echter door maatschappelijke veranderingen werden de bijeenkomsten van het genootschap (op Zaterdagmiddagen) op den duur steeds minder bezocht. Toen bovendien het Mathematisch Instituut in 1970 naar Paddepoel verhuisde, verloor het genootschap de vergaderzaal aan de Reitdiepskade. Wat aanvankelijk een tijdelijke onderbreking van de activiteiten had moeten zijn, resulteerde in een sluimerend bestaan. In 1978 is onder leiding van de laatste voorzitter Verdenius en de laatste secretaris Johannes Marinus Sanders (1913-1999) besloten het genootschap op te heffen.

Het bestuur bestond uit leden van het Mathematisch Instituut, wiskundigen uit andere faculteiten, en wiskundeleraren uit het middelbaar onderwijs. Vanuit de universiteit van Groningen waren betrokken Joop Boersma (1937-2004, promovendus), Hendrik Gerrit Brinkman (1907-1968, leeropdracht wiskunde, later lector, bij economie), Ruurd de Graaf (1938-2009, promovendus), Anthonie van Heemert (1912-1968), Hans Gerard Kaper (1936- , promovendus), Sanders (later lector wiskunde bij Economie), Johan Adolf Sparenberg (1924-2010), Verdenius en Van de Vooren. Vanuit het middelbaar onderwijs waren betrokken Nicolaas Jongschaap (1913-2000, werd leraar wiskunde Heymans Lyceum Groningen), Albertus Marinus Koldijk (1917-2005, werd docent bij lerarenopleiding Ubbo Emmius, vakdidacticus in Groningen), Jan Koksma (1908-1967, broer van J.F. Koksma, in 1938 gepromoveerd bij Van der Corput, was leraar en directeur bij de Eerste Christelijke HBS in Groningen), Gerrit Krooshof (1909-1980; was leraar en conrector Meisjes HBS (voortgezet als Thorbecke Lyceum) Groningen, was de eerste redacteur van het leerlingen-tijdschrift Pythagoras), Hendrik Willem Lenstra sr. (1910-1988; was redacteur Euclides, vanaf 1964 medewerker Universiteit van Amsterdam) en Aiko Eltjo Tiggelaar (1918-2002; werd conrector Christelijk Gymnasium Leeuwarden) [Jongschaap en Tiggelaar hadden het leraarschap verworven via aktes. Krooshof was na de hbs en kweekschool het onderwijs ingegaan, maar studeerde daarnaast wiskunde in Groningen en was ook lid van ≪ W4? ≫; ging met MO-aktes weer het onderwijs in.].

Onder de leden van het genootschap waren medewerkers van het instituut en leraren ruimschoots vertegenwoordigd, maar men komt ook bijvoorbeeld de namen van natuurkundigen als H. de Waard en C. van Winter tegen.

Nienke Domenie-Verdenius en Gerrie Verdenius worden bedankt voor het bewaren en het beschikbaarstellen van het materiaal over het genootschap "Johann Bernoulli".

4.4. Verdere Nederlandse genootschappen

Hieronder volgt een drietal Nederlandse genootschappen die voor de wiskunde-beoefening van belang waren en zijn.

Het Wiskundig Genootschap. Het Wiskundig Genootschap werd in 1778 opgericht als een soort rederijkers genootschap onder de zinspreuk "Een onvermoeide arbeid komt alles te boven". Sinds 2003 is het genootschap 'koninklijk' en we korten af KWG. Sinds eind 19e eeuw heeft het enigszins recreatieve karakter plaats gemaakt voor creativiteit en lange tijd is het Nieuw Archief voor Wiskunde een tijdschrift geweest waarin Nederlandse wiskundigen belangrijk werk publiceerden. Hiernaast is in 1888 het (Koninklijk) Actuarieel Genootschap opgericht, 'koninklijk' sinds 2013, waarvan ook een aantal wiskundigen lid is geweest.

De Akademie. In 1808 richtte Koning Lodewijk Napoleon de het Koninklijk Instituut op, dat in 1812 het Amsterdams Trippenhuis (aan de Kloveniersburgwal) betrok en dat vanaf 1851 overging in de Akademie. In 1938 gaat de Akademie over in de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (K(N)AW). Een aantal aan Groningen verbonden wiskundigen is hiervan lid geweest. Er werd ook veel gepubliceerd in de Verhandelingen Natuurkunde, Verslagen en Mededelingen of de Proceedings van de Akademie; dit laatste is wat betreft de wiskunde later (vanaf 1939) overgegaan in Indagationes Mathematicæ.

De (Koninklijke) Hollandse Maatschappij der Wetenschappen (KHMV). De KHMW bestaat al sinds 1752 en verwierf het predicaat 'koninklijk' in 2002. De KHMW is gehuisvest in het Hodshonhuis te Haarlem (aan het Spaarne, tegenover het Teylers Museum). Een aantal wiskundigen was hiervan lid. Ook de KHMW had een eigen tijdschrift Archives Néerlandaises geheten. In Utrecht bestaat als tegenhanger het in 1773 opgerichte Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Verder waren er op locaal niveau veel genootschappen met soortgelijke doelstellingen.

Literatuur bij Hoofdstuk 4

  • P.C. Baayen, "WISKUNDIG GENOOTSCHAP" 1778-1978: some facts and figures concerning two centuries of the Dutch Mathematical Society "Een onvermoeide arbeid komt alles te boven." Nieuw Archief voor Wiskundige (3) 26 (1978) 177-205
  • K. van Berkel, De Stem van de Wetenschap. Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Deel 1, 1808-1914; Deel 2, 1914-2008. Bert Bakker 2008; 2011
  • A. Blaauw, B. Boekschoten, P.J.U. Kooistra, D. Leijenaar, F. Smit, H. van der Windt, M. van Wijhe en K. Wiese, Een spiegel der wetenschap: 200 jaar Koninklijk Natuurkundig Genootschap te Groningen. Profiel Bedum 2001
  • H. van den Broek en B. Kamphuis, Het Mundomotorium van Willem Gleuns en Hendrik Deutgen. Studium 10 (2017) 93-105
  • C.P. Burger. Honderd Jaar van het Natuurkundig Genootschap te Leeuwarden. Cooperatieve Handelsdrukkerij Leeuwarden 1895
  • A.F.B. Dijkstra, Between Academics and Idiots. A Cultural History of Mathematics in the Dutch Province of Friesland (1600-1700). PhD Thesis Universiteit Twente 2012
  • W.A. Enschedé, Feestrede (K)NG 75 jaar. Het Vijf-en-zeventigjarig bestaan van het Natuurkundig Genootschap te Groningen. R.J. Schierbeek 1876
  • F.G. Groneman et al., Het Hondertjarig Bestaan van het Natuurkundig Genootschap te Groningen, gevierd op 1 en 2 Maart 1901. Groningen Gebroeders Hoitsema 1901
  • J. Guichelaar, G.B. Huitema, Verbinden en verspreiden. De kracht van het Koninklijk Natuurkundig Genootschap te Groningen. In: J. Guichelaar, G.B. Huitema en H. de Jong (redactie), Zekerheden in waarnemingen - Natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland rond 1900. Verloren 2012
  • M. van Haaften, Het Wiskundig Genootschap: zijn oudste geschiedenis, zijn werkzaamheden en zijn beteekenis voor het verzekeringswezen. Noordhoff 1923
  • M.C. van Hoorn, Obe Postma als leraar aan de Rijks-hbs te Groningen. In: J. Guichelaar, G.B. Huitema en H. de Jong (redactie), Zekerheden in waarnemingen - Natuurwetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland rond 1900. Verloren 2012
  • P.C. van der Kruit, Het Koninklijk Natuurkundig Genootschap - ter gelegenheid van de verlenging van het Predicaat Koninklijk. Voordracht KNG 7 september 2012

5. Appendix: Tijdschriften en boeken

Bij de bestudering van de verschillende personen uit deze collectie komt men veel (ook buitenlandse) gezelschappen tegen, die vaak ook weer eigen tijdschriften of boeken uitgaven. Soms zijn zulke gezelschappen en hun publicaties volledig uit het zicht verdwenen. Het volgende beknopte overzicht dient als ruggesteun.

5.1. Internationale genootschappen

In de zeventiende en achttiende eeuw kwam een aantal genootschappen tot stand als ontmoetingsplaats voor wetenschappers. In het oog springende voorbeelden met in het oog springende leden waren:

  • Accademia dei Lincei (1603) [Galileo 1611]
  • Royal Society of London for the Promotion of Natural Knowledge (1662) [Huygens 1663, Newton 1672 (vele jaren president), Johann Bernoulli 1712, Euler 1747, Daniel Bernoulli 1750]
  • Académie (Royale) des Sciences (1616) [Huygens 1666, Jakob en Johann Bernoulli 1699, Daniel Bernoulli 1748, Euler 1761]
  • Accademia delle Scienze dell’Istituto di Bologna (1690) [Johann Bernoulli 1724]
  • Preussische Akademie Berlin (1700) [Leibniz eerste voorzitter, Johann Bernoulli 1701, Jakob Bernoulli 1702, Euler 1741, Daniel Bernoulli 1746]
  • Academia Scientiarum Imperialis Petropolitanae (1724/25) [Daniel en Nicolaus Bernoulli 1725, Euler 1727]

De achttiende eeuw kende in heel Europa genootschappen die aandacht aan wiskunde gaven maar op een amateuristische leest opereerden; alleen het Wiskundig Genootschap heeft de eeuwen doorstaan. Vele andere nationale genootschappen ontstonden pas in de negentiende eeuw. Zij zouden zich alle bezighouden met het uitgeven van een of meerdere tijdschriften.

  • Wiskundig Genootschap (1778)
  • Moscow Mathematical Society (1864)
  • London Mathematical Society (1865)
  • Société Mathématique de France (1872)
  • Mathematical Society of Japan (1877)
  • Edinburgh Mathematical Society (1883)
  • Circolo Matematico di Palermo (1884)
  • New York Mathematical Society (1888); later American Mathematical Society
  • Deutsche Mathematiker-Vereinigung (1890)

In verschillende landen werden in de loop van de negentiende eeuw breed samengestelde gezelschappen van beoefenaren van de medische- en de natuurwetenschappen opgericht. In het algemeen werd gestreefd naar een forum waarbinnen verschillende groepen elkaar konden ontmoeten om zodoende de verspreiding van wetenschappelijke kennis te bevorderen. Meestal ging het om tweejaarlijkse grote samenkomsten die voor ”iedereen” toegankelijk waren (waarbij dan weer wel aansprekende namen uit politiek, cultuur of vorstenhuis als beschermheer o.i.d. werden aangetrokken). Van deze congressen werden dan later de Handelingen uitgegeven. In een aantal gevallen zijn deze organisaties door hun eigen succes ten ondergegaan.

  • Gesellschaft Deutscher Naturforscher und Ärzte (1822)
  • British Association for the Advancement of Science (1831)
  • Scandinavian Scientist Conference (1839–1936)
  • American Association for the Advancement of Science (1848)
  • Association française pour l’avancement des sciences (AFAS) (1872)
  • Nederlandsch Natuur- en Geneeskundig Congres (1887-2017)
  • Vlaamsche Natuur- en Geneeskundige Congressen (1897-1944)

5.2. Internationale tijdschriften

Hieronder volgt een lijst van internationale tijdschriften die voornamelijk op de wiskunde gericht waren en al in de periode voor de overgang naar de twintigste eeuw verschenen; een aantal ervan is al (soms al lang) ter ziele. Een enkel tijdschrift uit deze lijst had een zeer algemeen karakter. In het begin van de negentiende eeuw was het gebruikelijk om een tijdschrift naar de hoofdredacteur te vernoemen, bijvoorbeeld heette het Journal für die Reine und Angewandte Mathematik bij de stichting Crelle’s Journal.

  • Acta Eruditorum (1682 tot 1782)) [Mencke, Leibniz]
  • Acta Mathematica (1882) [Mittag Leffler]
  • American Journal of Mathematics (1878) [Sylvester]
  • Annales de Mathématiques Pures et Appliquées (1810 tot 1831) [Gergonne, Thomas-Lavernède]
  • Archiv for Mathematik og Naturvidenskab (1876) [Lie, Müller, Sars]; veel later Mathematica Scandinavica
  • Archiv Mathematik Physik (1841-1920) [Grunert] (Grunert’s Archiv, later Hoppe’s Archiv)
  • Bulletin des Sciences Mathématiques (1870) [Darboux]
  • The Cambridge Mathematical Journal (1839 tot 1855) [Gregory, Ellis]
  • Correspondance Mathématique et Physique (1825 tot 1839) [Garnier, Quetelet]
  • Journal de l’École Polytechnique (1794 tot 1933)
  • Journal de Mathématiques Élémentaires (1877 tot 1980)
  • Journal de Mathématiques Pures et Appliquées (1836) [Liouville]
  • Journal de Mathématiques Spéciales (1882 tot 1902); geassocieerd met Journal de Mathématiques Élémentaires
  • Journal für die Reine und Angewandte Mathematik (1826) [Crelle]
  • Mathematische Annalen (1868) [Clebsch, C. Neumann]
  • Mathematisk Tidsskrift (1859) [Schjellerup, Tychsen]; later (Nyt) Tidsskrift for Mathematisk, Nordisk Mathematisk Tidsskrift, Mathematica Scandinavica
  • Mathesis: Recueil Mathématique (tussen 1881 en 1915) [Neuberg en Mansion]
  • Mémoires de l’Académie des Sciences (1666 tot 1699); later weer voortgezet in verschillende vormen
  • Messenger of Mathematics (1872 tot 1929) [Whitworth, Taylor]
  • Nouvelles Annales de Mathématiques (1842 tot 1927) [Terquem, Gerono]
  • Nouvelle Correspondance Mathématique (1874 tot 1880) [Catalan, Mansion]
  • Philosophical Transactions of the Royal Society of London (1665)
  • Proceedings of the Royal Society ????
  • The Quarterly Journal of Pure and Applied Mathematics (1855) [Sylvester, Ferrers]; later Quarterly Journal of Mathematics (1930)
  • Zeitschrift für Mathematik und Physik (1856) (Schlömilch’s Zeitschrift) [Schömilch, Witzschel]

5.3. Nederlandse tijdschriften

In Nederland zijn vanaf de negentiende eeuw een aantal tijdschriften ontstaan die als doel hadden de ontwikkelingen van de wiskunde voor vakgenoten te verspreiden. Daarnaast waren er ook tijdschriften met een speciaal lezerspubliek: landmeters, verzekeringswiskundigen, wiskundeleraren, en studerenden voor wiskunde aktes.

Vanaf 1886 gaf de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen een eigen tijdschrift uit: Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles, waarin vertalingen stonden van oorspronkelijk Nederlandse publicaties. In hetzelfde jaar begon het Teyler Museum in Haarlem met een eigen tijdschrift, evenals de Polytechnische School in Delft. De genoemde tijdschriften hadden een algemeen karakter en bevatten regelmatig wiskundige publicaties. De landmeters gaven van 1885 een eigen tijdschrift uit waarin some meetkundig georiënteerde artikelen in verschenen. De actuariële gemeenschap volgde in 1895.

Bij de Akademie was de wiskunde was vanaf 1852 ondergebracht in de Afdeling Natuurkunde en vanaf 1892 in de Afdeling Wis- en Natuurkunde. De Verslagen en Mededelingen van deze afdelingen bevatten verslagen van vergaderingen en publicaties (genaamd mededelingen voor leden en verhandelingen voor buitenstaanders): eerste reeks tussen 1853 en 1863, tweede reeks tussen 1867 en 1884, en derde reeks tussen 1885 en 1892. (vermelden als Akademie Verslagen Natuurkunde ipv Natuurkunde en als: Akademie Verslagen Afdeling Wis- en Natuurkunde ipv Verslagen Wis- en Natuurkundige Afdeling?). Met ingang van 1899 worden deze tijdschriften ook vertaald uitgegeven als Proceedings of the Section of Sciences (beginnend met de vergadering van 28 Mei 1898). (vermelden als Akademie Pro- ceedings Section Sciences ipv Proceedings?). De wiskunde artikelen werden tussen 1939 tot 1990 ook als Indagationes Mathematicæ uitgegeven; en na 1990 uitsluitend onder deze naam. De Verhandelingen van de Nederlandse Akademie omvatten grotere publicaties die vanaf de zeventiger jaren van de negentiende eeuw een meer fundamenteel karakter kregen. Tussen 1854 en 1890 waren de verhandelingen gewijd aan algemene onderwerpen, maar tussen 1892 en 1935 bestond ook een tweede sectie, speciaal voor wis- en natuurkunde, (vermelden als Akademie Handelingen?)

Het Wiskundig Genootschap, opgericht in 1778, publiceerde tussen 1859 en 1875 het Archief, uitgegeven door het Wiskundig Genootschap en dit tijdschrift had een enigszins recreatief karakter. Sinds 1875 is het voortgezet onder de naam: Nieuw Archief voor Wiskunde, een tijdschrift geweest waarin Nederlandse (en soms buitenlandse) wiskundigen belangrijk werk publiceerden. Toen in 1875 Bierens de Haan het Nieuw Archief voor Wiskunde onder zijn hoede nam was er geen plaats meer voor de wiskundige opgaven die werden afgedrukt in de voorganger van dit tijdschrift. De wiskundige opgaven verschenen nu als afzonderlijk katern met het Nieuw Archief en kregen een eigen titelblad Wiskundige opgaven met de oplossingen door de leden van het Wiskundig Genootschap ten spreuke voerende: ”Een onvermoeide arbeid komt alles te boven” elkander tot onderlinge oefening opgegeven. Deze vormgeving zou uiteindelijk leiden tot een zeer grote collectie: 1 (1875/81) – 21 (1960/64).

Door het soms te hoge niveau van de opgaven uitgegeven door het Wiskundig Genootschap onstond er al snel behoefte aan oefenmateriaal op lager niveau: dit zou in de loop van de tijd aanleiding geven tot een aantal tijdschriften voor studerenden voor aktes, te beginnen met De vriend der wiskunde. De traditie van tijdschriften voor verschillende studerenden werd voortgezet met Wiskundig Tijdschrift, Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, Christiaan Huygens, Euclides, Mathematica en Simon Stevin. In België had men op dezelfde wijze vanaf 1921 met tussenpozen het Wis- en natuurkundig tijdschrift, dat uiteindelijk in verschillende stappen met andere, ook Nederlandse tijdschriften, is samengegaan onder steeds weer nieuwe namen.

De onderstaande lijst geeft een beknopt overzicht.

TEKST VOLGT NOG

5.4. Noordhoffs verzameling van wiskundige werken

Het in 1913 opgerichtte en door P. Noordhoff, Groningen, uitgegeven Nieuw Tijdschrift voor de Wiskunde stond lange tijd onder leiding van Henri Gustaaf Adolph Verkaart (1866-1951) en Pieter Wijdenes (1872-1972). Deze twee onderwijsmensen hadden via aktes hun lesbevoegdheid verkregen. Voor zijn laatste akte had Wijdenes nog colleges gevolgd bij Korteweg en Adrianus Jacobus van Pesch (1837-1916) van de Universiteit Amsterdam; die colleges werden ten behoeve van hem tussen de middag gegeven (als hij pauze van school had). Zodoende kende Wijdenes veel wiskundigen persoonlijk; hij ontpopte zich als een ondernemer in wiskunde onderwijs en bleef dat tot op hoge leeftijd.

Van links naar rechts: Mulder, Schuh, Wijdenes en zijn vrouw

Vanaf 1907 had Wijdenes al zakelijk contact met de uitgeverij Noordhoff. Toen verscheen een leerboek van zijn hand bij Noordhoff. Het Nieuw Tijdschrift voor de Wiskunde vermeldde de "medewerking van de professoren Dr. F. Schuh, Dr. Hk. de Vries en Dr. J. de Vries". Toen Hk. de Vries in het begin een aantal artikelen over de vierde dimensie in het Nieuw Tijdschrift had gepubliceerd, stelde Wijdenes voor ze te bundelen en als boek te laten verschijnen via zijn contacten met Noordhoff. Zo kwam in 1915 het eerste deel van Noordhoff's Verzameling Van Wiskundige Werken tot stand. [Het boek van De Vries werd in 1926 in het Duits vertaald en werd nog aangehaald in Anschauliche Geometrie van D. Hilbert en S. Cohn-Vossen.]

De VIERDE DIMENSIE

Deze reeks werd tot in 1938 voortgezet met als laatste deel Schuh's Leerboek der nieuwere meetkunde. In de oorlog verschenen nog enkele nieuwe drukken van eerdere delen. Onderstaande advertentie dateert van 1939 toen Gerretsen's proefschrift verscheen. Dr. Salomon Levie van Oss (1864-1937) van de eerste alinea was toen recent overleden. De oorspronkelijke zeer karakteristieke vormgeving van deze reeks, zie de afbeelding van De vierde dimensie door Hk. de Vries, werd in de loop van de tijd opgeofferd voor een meer zakelijke stijl (rode banden zonder poespas).

Literatuur bij de Appendix

THE END

5.1. Overzicht tijdschriften. Nu volgt een beknopt overzicht van de wiskundetijdschriften die vanaf de 17e eeuw bestaan hebben en soms nog bestaan.

Eerst geven we een aantal buitenlandse tijdschriften. In de 17e eeuw werd het reeds mogelijk om te publiceren in internationale tijdschriften zoals het in 1682 opgerichte Acta Eruditorum en in de tijdschriften die werden uitgegeven door de verschillende academies in Europa, zoals de Proceedings of the Royal Society. De 19e eeuw kende de opkomst van vele wiskundetijdschriften zoals Journal für die Reine und Angewandte Mathematik (Crelle's Journal). Een aantal tijdschriften werd vroeger genoemd naar de hoofdredacteur: Voorbeelden zijn Archiv Mathematik Physik (Grunert's Archiv, later Hoppe's Archiv), Bulletin des Sciences Mathématiques (Darboux Bulletin), Journal Reine Angewandte Mathematik (Crelle's Journal), Zeitschrift für Mathematik und Physik (Schlömilch's Zeitschrift). Het Franse Journal de Mathématiques Spéciales was tussen 1882 en 1902 een afsplitsing van Journal de Mathématiques Élémentaires (dat tussen 1877 en 1980 verscheen). Het Franse tijdschrift Nouvelles Annales de Mathématiques, opgericht door Terquem en Gerono, verscheen tussen 1842 en 1927. Vanaf 1825 tot 1839 werd het Belgische tijdschrift Correspondance Mathématique et Physique uitgegeven door Jean Guillaume Garnier (1766 - 1840) en Adolphe Quetelet (1796 - 1874). Een opvolger van dit tijdschrift verscheen eerst in 1874: Nouvelle correspondance mathématique, uitgegeven door Catalan, Mansion, en Neuberg tussen 1874 en 1880. Een voortzetting hiervan was Mathesis: Recueil Mathematique (1881-1915), oorspronkelijk uitgegeven door Neuberg en Mansion. De Messenger of Mathematics verscheen tussen 1872 en 1929. Het tijdschrift Archives Néerlandaises des Sciences exactes et naturelles werd tussen 1866 en 1921 uitgegeven door de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem. Archives du Musée Teyler werd uitgegeven tussen 1866 en 1925. Het tijdschrift Compositio Mathematica werd in 1935 opgericht door L.E.J. Brouwer. Annales de l'École Polytechnique de Delft werd uitgegeven tussen 1885 en 1897.

TITELBLAD ACTA ERUDITORUM

5.2. Tijdschriften van het (K)WG. Het Wiskundig Genootschap geeft vanaf 1875 het Nieuw Archief voor Wiskunde uit: serie I: 1 (1875) – 20 (1893), serie II: 1 (1895) – 23 (1949), serie III: 1 (1953) – 30 (1982), serie IV: 1 (1983) – 17 (1999), serie V: vanaf 2000. Verder werd ook uitgegeven ''Wiskundige opgaven met de oplossingen door de leden van het Wiskundig Genootschap ten spreuke voerende: ”Een onvermoeide arbeid komt alles te boven” elkander tot onderlinge oefening opgegeven'' ook vanaf 1875: 1 (1875/81) – 21 (1960/64), zie bijvoorbeeld de volumes 16 en 17.

5.3. Tijdschriften van de de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Zoals eerder beschreven werd de KAW in 1852 opgericht als opvolger van een door Lodewijk Napoleon ingevoerd instituut. De wiskunde was eerst ondergebracht in de Afdeling Natuurkunde en vanaf 1892 in de Afdeling Wis- en Natuurkunde. De volgende tijdschriften werden door deze afdeling(en) uitgegeven: Verslagen en Mededelingen Afdeling Natuurkunde bevat verslagen van vergaderingen en publicaties (genaamd mededelingen voor leden en verhandelingen voor buitenstaanders): eerste reeks tussen 1853 en 1863, tweede reeks tussen 1867 en 1884, en derde reeks tussen 1885 en 1892. (vermelden als Akademie Verslagen Natuurkunde ipv Natuurkunde?) Vanaf 1892 werd deze reeks voortgezet als Verslagen van de gewone vergaderingen van de Wis- en Natuurkundige Afdeeling. Deze bevat verslagen van vergaderingen en publicaties (vermelden als Akademie Verslagen Afdeling Wis- en Natuurkunde ipv Verslagen Wis- en Natuurkundige Afdeling?). Met ingang van 1899 worden deze tijdschriften ook vertaald uitgegeven als Proceedings of the Section of Sciences, beginnend met de vergadering van 28 Mei 1898. (Vermelden als Akademie Proceedings Section Sciences ipv Proceedings?). [Vanaf 1939 tot 1990 werden de wiskunde artikelen ook als Indagationes Mathematicæ uitgegeven. Na 1990 worden de proceedings opgeheven en gaat alleen Indagationes Mathematicæ verder, tot 2010 onder auspiciën van de KNAW, daarna ging het over naar het KWG.] De reeks Verhandelingen Akademie bevat grotere publicaties, tussen 1854 en 1890 (algemeen) en tussen 1892 en 1935 tweede sectie, voor wis- en natuurkunde, (vermelden als Akademie Handelingen?) Klopt tweede sectie? Zie Schoute.

5.4. Verdere binnenlandse tijdschriften. Hier is een overzicht van binnenlandse tijdschriften, die hoofdzakelijk toegespitst waren op akte-studenten en leraren: De vriend der wiskunde verschenen tussen 1886 en 1916, Wiskundig Tijdschrift tussen 1904 en 1921, Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde (uitgegeven door P. Noordhoff, Oude Boteringestraat 12 te Groningen), opgericht door H.G.A. Verkaart en P. Wijdenes, tussen 1913 en 1987/1988, Euclides vanaf 1927/1928 (in 1924 begonnen als Bijvoegsel van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde, gewijd aan onderwijsbelangen.) Christiaan Huygens Internationaal Tijdschrift, geredigeerd door Fred. Schuh en E.J. Dijksterhuis, van 1921 tot 1940. De uitgave Mathematica Tijdschrift voor Studeerenden werd van 1931 tot 1944 geredigeerd door C.L. Kok, M. Scheffer, S.C. van Veen (het bestond uit secties A en B). Mathematica Sectie A is later samengevoegd met het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde. Het Belgische Wis- en Natuurkundig Tijdschrift werd in 1954 Simon Stevin genoemd en hierin werden Mathematica Sectie B en Christiaan Huygens opgenomen (tot 1993).

Er waren nog een paar tijdschriften die van wiskundige interesse konden zijn. Het Archief voor de verzekeringswetenschap en aanverwante vakken werd tussen 1895 en 1919 uitgegeven door Martinus Nijhoff; vanaf 1922 voortgezet als Het Verzekeringsarchief. Het Tijdschrift voor Kadaster en Landmeetkunde werd uitgegeven tussen 1885 en 1970.

OUDJES

5.5. Noordhoffs verzameling van wiskundige werken. Het in 1913 opgerichtte en door P. Noordhoff, Groningen, uitgegeven Nieuw Tijdschrift voor de Wiskunde stond lange tijd onder leiding van Henri Gustaaf Adolph Verkaart (1866-1951) en Pieter Wijdenes (1872-1972), twee onderwijsmensen die via aktes hun lesbevoegdheid hadden verworven. Wijdenes had voor zijn laatste akte nog colleges gevolgd bij Korteweg en van Pesch; zodoende kende hij veel wiskundigen persoonlijk. Vooral Wijdenes ontpopte zich als een ondernemer in wiskundig onderwijsland en bleef dat tot op hoge leeftijd. Reeds in 1907 verscheen een leerboek van zijn hand bij Noordhoff. Het Nieuw Tijdschrift voor de Wiskunde vermeldde de "medewerking van de professoren Dr. F. Schuh, Dr. Hk. de Vries en Dr. J. de Vries". Toen Hk. de Vries in het begin een aantal artikelen over de vierde dimensie in het Nieuw Tijdschrift had gepubliceerd, stelde Wijdenes voor ze te bundelen en als boek te laten verschijnen via zijn contacten met Noordhoff. Zo kwam in 1915 het eerste deel van Noordhoff's Verzameling Van Wiskundige Werken tot stand. [Het boek van De Vries werd in 1926 in het Duits vertaald en werd nog aangehaald in Anschauliche Geometrie van D. Hilbert en S. Cohn-Vossen.] Deze reeks werd tot in 1938 voortgezet met als laatste deel Schuh's Leerboek der nieuwere meetkunde. In de oorlog verschenen nog enkele nieuwe drukken van eerdere delen. Onderstaande advertentie dateert van 1939 toen J.C.H. Gerretsen's proefschrift verscheen. Dr. S.L. van Oss (1864-1937) van de eerste alinea was toen recent overleden. De oorspronkelijke zeer karakteristieke vormgeving van deze reeks, zie de afbeelding van De vierde dimensie door Hk. de Vries, werd in de loop van de tijd opgeofferd voor een meer zakelijke stijl (rode banden zonder poespas).

Literatuur bij Appendix