Johann Bernoulli Stichting voor de Wiskunde te Groningen

Bernard Roelof Andries Nijboer 1915-1996

Bernard Roelof Andries Nijboer (Meppel 30 September 1915 - Utrecht 25 January 1999) was assistant and conservator at the Natuurkundig Laboratorium the University of Groningen between 1940 and 1950.

Bernard Roelof Andries (Ben) Nijboer werd in Meppel geboren als oudste van de drie zonen van de accountant Roelof Nijboer en Janna Klamer. Hij groeide op in Groningen en bezocht daar de Rijks H.B.S. Op deze school kreeg hij wiskundeles van O. Bottema, de latere Delftse hoogleraar, die tussen 1931 en 1935 ook privaatdocent in Groningen was. Nijboer deed in 1932 op zestienjarige leeftijd eindexamen, waarna hij begon als student in de wis- en natuurkunde in Groningen. Als tweedejaars student richtte hij samen met medestudent Wibbe Verdenius en de al gepromoveerde H.C. (Coen) Brinkman het wiskunde dispuut $\ll\! {\rm W}^4?\!\gg$ op, waarvan Brinkman de geestelijk leider zou zijn. Hij behaalde op 31 Januari 1935 cum laude het candidaatsexamen en op 1 October 1937 cum laude het doctoraalexamen met hoofdvak theoretische natuurkunde.

Als leermeesters beschouwde Nijboer de latere Nobelprijswinnaar Frits Zernike en Ralph Kronig. Met zijn medestudent C.J. Bouwkamp publiceerde hij al in 1937 een artikel (naar aanleiding van een foutieve formule in een leerboek van Max Born); daarin wordt Zernike bedankt voor zijn interesse. Na zijn doctoraal examen eind 1937 bracht Nijboer met behulp van een studiebeurs een jaar door in Bristol bij Nevill Mott, waar verschillende gevluchte Duitse wetenschappers verbleven of op doortocht waren. Zoiets deed ook Groenewold voor hem en Kahn na hem. In Bristol hield Nijboer zich "zonder veel enthousiasme" bezig met een probleem rond halfgeleiders. Bij terugkeer uit Engeland werd hij opgeroepen voor militaire dienst; door de mobilisatie eindigde de diensttijd pas in Mei 1940.

In de zomer van 1940 werd Nijboer assistent en conservator bij natuurkunde (hij zou conservator blijven tot 1950). Na het gedwongen vertrek van Kahn in November 1940 werd hij tevens belast met de waarneming van de colleges voor mechanica. De eerstvolgende jaren zouden in het teken van diffractie staan. Zernike was al in 1934 begonnen met beschouwingen over een klasse afwijkingen bij de optische beeldvorming in een microscoop. Hierbij werd het begrip Zernike polynoom ontwikkeld (zie ook het werk van Zernike met H.C. Brinkman). Als assistent van Zernike deed Nijboer promotieonderzoek naar optische beeldvorming waarbij meer algemene afwijkingen berekend moesten worden. Dit resulteerde in 1942 in een proefschrift getiteld The diffraction theory of aberrations. De hierin ontwikkelde theorie staat sindsdien bekend als de Nijboer-Zernike theorie. Maar hiermee was het onderwerp nog niet afgesloten.

In en kort na de oorlog. In het begin van de tweede wereldoorlog was Nijboer werkzaam als assistent en conservator van het Natuurkundig Laboratorium. Hij promoveerde in 1942 bij Zernike op het proefschrift The diffraction theory of aberrations. Voor 1950 was Nijboer wetenschappelijk hoofdambtenaar bij de Rijksuniversiteit Groningen.

Waar Nijboer het geval van niet al te grote afwijkingen bekeek, bleek het geval van grote afwijkingen in eerste instantie slechts experimenteel behandelbaar; zie het proefschrift On the influence of diffraction on image formation in the presence of aberrations van Kornelis Nienhuis (1916-1972) in 1948 onder leiding van Zernike afrondde. Nijboer schreef met Nienhuis ook een een publicatie over deze meer algemene afwijkingen. Nienhuis vertrok na zijn promotie naar Philips. Tenslotte werd door Zernike’s neef en assistent N.G. van Kampen (1921-2013) een theoretische behandeling voor de bijbehorende asymptotiek gegeven, die gebaseerd was op werk van Van der Corput over de methode van de stationaire phase. (Zie: N.G. van Kampen, An asymptotic treatment of diffraction problems, Physica 14 (1948) 575-589; hierin worden zowel Zernike, Nijboer als Nienhuis bedankt voor advies en discussies.) Van Kampen was in 1939 in Leiden met zijn studie natuurkunde begonnen en was na sluiting van de universiteit aldaar in 1941 naar Groningen gekomen waar hij in 1947 afstudeerde.

In October 1946 bezochten Zernike en Nijboer het "Institut d’optique" in Parijs voor het bijwonen van de "Réunions d’opticiens", waar verschillende voordrachten werden gehouden. Aansluitend daarop vond in 1948 Delft het eerste congres plaats van de International Commission for Optics, georganiseerd door A.C.S. van Heel. Hier gaf Nijboer tesamen met J. Korringa (Leiden) en A. Maréchal (Parijs) een overzicht van de stand van zaken voor diffracties en afwijkingen. In het studiejaar 1947-1948, toen Zernike gasthoogleraar was aan de Johns Hopkins University (Baltimore), werden diens werkzaamheden waargenomen door Nijboer, die voor dat jaar een leeropdracht kreeg tot het geven van onderwijs in de theoretische natuurkunde.

Naar Princeton. Een Fulbright-beurs stelde Nijboer in staat in 1949 een jaar in Princeton, New Jersey, (U.S.A.) te werken aan het Institute for Advanced Study [3]. Hij verbleef daar van 1 september 1949 tot 1 juni 1950 en ontmoette o.a. Albert Einstein, Robert Oppenheimer, John von Neumann, Bram Pais, Rudolf Peierls en Freeman Dyson. Hij werkte daar samen met George Placzek en Léon Van Hove aan de theorie van de neutronverstrooiing. Die was belangrijk geworden doordat de kernreactoren, dankzij hun grote productie van neutronen, een nieuwe mogelijkheid hadden opgeleverd voor het onderzoek van de vaste stof en van vloeistoffen, waaruit meer informatie geput kon worden dan uit de röntgenverstrooiing. Een röntgenfoto is een momentopname van de positie van de atomen, terwijl neutronenverstrooiing informatie geeft over hun bewegingen. Om deze informatie te kunnen interpreteren was een theorie nodig. Die werd door Placzek, Van Hove en Nijboer ontwikkeld. Sedertdien is deze de basis van dit gehele onderzoeks- gebied [4].

Latere carrière. Bij K.B. van 12 December 1950 werd de Heer B.R.A. Nijboer benoemd tot lector in de Faculteit der Wis- en Natuurkunde aan de Rijks-Universiteit te Utrecht om onderwijs te geven in de theoretische natuurkunde, onder gelijktijdig ontslag als wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Rijks-Universiteit te Groningen. Als speciale taak had hij hierbij natuurkundeonderwijs aan scheikundestudenten te verzorgen. In 1955 deed hij een half jaar onderzoek op het Niels Bohr-instituut in Kopenhagen. Op 27 mei 1955 werd hij in Utrecht benoemd tot hoogleraar in de theoretische natuurkunde. Zijn inaugurele rede was getiteld: Electronen en nucleonen, de bouwstenen der materie. Zijn naaste collega’s waren Léon Van Hove en Nico van Kampen. In 1961 vertrok Van Hove naar de CERN in Geneve en werd Ben Nijboer diens opvolger als 'hoogleraar-beheerder' van het instituut voor theoretische fysica. In 1964-1965 werkte hij een jaar bij het Argonne National Laboratory in Chicago (USA).

Pugwash etc. Ben Nijboer was hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde (toen nog een wetenschappelijk maandblad) en bestuurslid van het Verbond van Wetenschappelijke Onderzoekers. Ook was hij een actief deelnemer aan de internationale Pugwash-beweging. Deze beweging van wetenschapsmensen is in 1955 begonnen op initiatief van de Britse filosoof Bertrand Russell, in reactie op de ontwikkeling van atoomwapens en de wapenwedloop. In 1958 nam Ben Nijboer deel aan de derde Pugwash-conferentie in Wenen; hij verspreidde in Nederland het gedachtegoed middels lezingen en artikelen.

Publicaties van B.R.A. Nijboer

  • (met C.J. Bouwkamp) Bemerkungen über Feldstarkeabhängigkeit der dialektrischen Konstante und Kerneffekt. Physica 4 (1937) 379-388
  • On the theory of electronic semi-conductors. Proc. Phys. Soc. London 51 (1939) 575-584
  • Die Beugungstheorie der Aberrationen. Diss. Groningen. Groningen, JB Wolter’s Uitgevers-Maatschappij (1942) 70 pp
  • The diffraction theory of optical aberrations. Part I: General discussion of the geometrical aberrations. Physica 10 (1943) 679-692
  • On the intensity-distribution of the continuous X-ray spectrum near its short-wavelength limit. Physica 12 (1946) 461-465
  • The diffraction theory of optical aberrations. Part II: Diffraction pattern in the presence of small aberrations. Physica 13(10) (1947) 605-620
  • Röntgen-, ultraviolette en zichtbare spectra van ionenkristallen. Voordracht gehouden op het Symposium van de Ned. Natuurk. Ver. in Amsterdam op 20 Dec. 1947. Ned. T. Natuurk. XIV 1948
  • (met J. Korringa en A. Maréchal) Report on the combined influence of diffraction, various aberrations or variations of the amplitude on image formation delivered at the conference of the “Commission Internationale d'Optique”, Delft (July 1948)
  • (met K. Nienhuis) The diffraction theory of optical aberrations. Part III: General formulae for small aberrations; experimental verification of the theoretical results. Physica 14 (9) (1949) 590-604
  • (met F. Zernike) Théorie de la diffraction des abérrations. In: La theorie des images optiques, reunions organisers en octobre 1946. \'ed. de la Revue d'Optique, Paris (1949) 227
  • (met G. Placzek and L. van Hove) Effect of short wavelength interference on neuteron scattering by dense systems of heavy nuclei. Phys. Rev. II. Ser. 82 (1951) 392-403
  • (met L. van Hove) Sur la fonction de distribution radiale d’un gaz imparfait et le principe de superposition. Nederl. Akad. Wet. Proc. Ser. B 54 (1951) 256-259
  • (met L. van Hove) Radial distribution function of a gas of hard spheres and the superposition approximation. Phys. Rev. II. Ser. 85 (1952) 777-783
  • (met P. Mazur) On the statistical mechanics of matter in an electromagnetic field. I. Derivation of the Maxwell equations from electron theory. Physica 19 (1953) 971-986
  • (met R. Fieschi) On the radial distribution function of a compressed gas of rigid spheres. Physica 19 (1953) 545-547
  • Het door prof.dr. F. Zernike in de laatste twintig jaren verrichte wetenschappelijke werk. Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde 19 (1953) 320-328
  • Electronen en nucleonen, de bouwstenen der materie. Inaugurele rede Utrecht 27 mei 1955. Amsterdam 1956
  • (met F.W. de Wette) On the calculation of lattice sums. Physica 23 (1957) 309-321
  • (met F.W. de Wette) The electrostatic potential in multipole lattices. Physica 24 (1958) 1105-1118
  • (met F.W. de Wette) The internal field in dipole lattices. Physica 24 (1958) 422-431
  • (met K. Schram) The Wigner distribution function for systems of bosons or fermions. Physica 25 (1959) 733-741
  • General introduction. Fundam. Probl. Stat. Mech. Proc. NUFFIC Int. Summer Course Sci. Nijenrode Castle, The Netherlands Aug. 1961 (1962) 1-32
  • Aard en uitwerking van het kernwapen. In: B.V.A. Roeling (Ed.), Wereldpolitiek en A.B.C.-wapens. Leiden (1962) 33-44
  • Bewapeningswedloop en ontwapeningspogingen. In: B.V.A. Roeling (Ed.), Wereldpolitiek en A.B.C.-wapens. Leiden (1962) 57-68
  • Some topics in statistical mechanics (a series of lectures). Argonne National Laboratory 1965
  • (met A. Rahman), Time expansion of correlation functions and the theory of slow neutron scattering. Physica 32(2) (1966) 415-432
  • (met M.J. Renne) Microscopic derivation of macroscopic Van der Waals forces. Chemical Physics Letters 1(8) (1967) 317-320
  • (met M.J. Renne) Microscopic derivation of macroscopic Van der Waals forces II. Chemical Physics Letters 2(1) (1968) 35-38
  • (met N.G. van Kampen en K. Schram) On the macroscopic theory of Van der Waals forces. Physics Letters A 26(7) (1968) 307-308
  • (met M.J. Renne) Van der Waals interaction between two spherical dielectric particles. Chemical Physics Letters 6(6) (1970) 601-604
  • (met M.J. Renne) ???? Physica Norvegica 5 (1971) 243-251
  • (met F.W. de Wette en H. Fowler) Lattice dynamics, thermal expansion and specific heat of a Lennard-Jones solid in the quasi-harmonic approximation. Physica 54(2) (1971) 292-304
  • (met M.J. Renne) Comment on 'Effective Van der Waals interaction between rare gas atoms in a dense classical fluid.' Journal of Physics C: Solid State Physics 6(1) (1973) ????
  • (met M.J. Renne) (1975) North-Holland Publishing Coop ????
  • On the many-body Van der Waals binding energy of a dense fluid. Physica A: Statistical Mechanics and its Applications 79(4) (1975) 420-432
  • On the dielectric constant of nonpolar fluids. Chemical Physics Letters 39(2) (1976) 382-385
  • (met W.J. Lentevogel) On the configuration of systems interacting particles with minimum potential energy per particle. Physica A: Statistical Mechanics and its Applications 98(1-2) (1979) 274-288
  • (met W.J. Lentevogel) On the configuration of systems interacting particles with minimum potential energy per particle. Physica A: Statistical Mechanics and its Applications 99 (1979) 569-580
  • (met T.W. Ruijgrok en M.R. Hoare) Recoil-induced excitation of atoms by neutron scattering. Physica A: Statistical Mechanics and Applications 120(3) (1983) 537-544 (1983)
  • On the electrostatic potential due to a slab shaped and a semi-infinite NaCl-type lattice. Physica A: Statistical Mechanics and its Applications 125(1) (1984) 275-279
  • 50 jaar natuurkunde. Afscheidscollege Prof Dr B.R.A. Nijboer. Utrecht 1984
  • (met T.W. Ruijgrok) The configuration of one-dimensional many-particle systems with minimum potential energy. J. Phys. C: Solid State Phys. 18 (1985) 2043
  • (met T.W. Ruijgrok) On the energy per particle in three- and two-dimensional Wigner lattices. J Stat Phys 53 (1988) 361–382

Mathematics Genealogy Project van B.R.A. Nijboer

Wikipedia voor B.R.A. Nijboer

[HWB en HSVdS April 2021 - in aanbouw ]